Gepubliceerd op zaterdag 18 augustus 2001 om 21:06 door Denis

Reïncarnatie, leven na de dood en de geest (Lucien De Rijbel)

terug

Aura Oasis Logo

Reïncarnatie

Indien mij wordt gevraagd of ik in reïncarnatie geloof antwoord ik steevast: nee, ik geloof er niet in, ik ben er zeker van. Het is een essentieel verschil, geloven of ergens zeker van zijn! Maar het woord reïncarnatie vind ik niet zo juist, laat het mij gewoon wedergeboorte noemen. Deze term komt voort uit de boeddhistische levensinstelling waar men niet spreekt over de ziel. Onder ziel wordt in het westen meestal iets onveranderlijk verstaan, iets eeuwigs, bijna statisch. Boeddhisten spreken bij weer geboren worden niet over ziel, maar over een bepaalde ‘stroom van leven’. Wij zijn niet meer dezelfde als toen we tien jaar waren en evenmin dezelfde als de mens die we waren op ons twintigste. Maar evenmin kunnen we stellen dat we een ander zijn. Boeddha heeft iets dergelijks gezegd met andere woorden. Hij gebruikt het voorbeeld van een kaars die wordt aangestoken en de volgende morgen nog brandt. De kaarsvlam ’s avonds is niet dezelfde als die van de volgende morgen, maar evenmin kun je zeggen dat het een andere kaarsvlam is. Ik persoonlijk geloof dat daarom het woord wedergeboorte beter het principe uitdrukt dan reïncarnatie.

Natuurwet uit de kosmos

Om de problematiek rondom de dood en het hiernamaals op te lossen moet men door een bepaalde educatie op dat gebied tot een juiste beslissing komen. Hiervoor zijn nu eenmaal leraren nodig. Je moet dus een heleboel weten, wil je het kunnen begrijpen. En als je daar je eigen weten van vroeger tegenover zet, dan blijkt dat vaak helemaal fout te zijn. Maar de meeste mensen willen hun verleden, met alle denkbeelden die daarbij horen, vaak niet loslaten. Je moet dus eigenlijk blanco weer gaan leren hoe de natuurwet is. Want goed beschouwd is sterven een drift van de mens tot leven…

Dus de levensdrift, daar behoort sterven ook bij. Want je ziet het altijd gebeuren in die ene volgorde: geboren worden en dan sterven. Geboorte en sterven is dus hetzelfde feit, alleen in omgekeerde zin. En ik heb nog nooit iemand gezien die niet eerst leefde voordat hij kon sterven. Iemand die dood is, kan niet meer sterven, dat is ene kant. Aan de andere kant zeg ik: als sterven dus een beëindiging is en geboorte een begin, waar is dat begin dan op zijn beurt weer het einde van? Want we moeten toch ergens geëindigd zijn, of zou je willen beweren dat we zomaar uit het niets zijn gekomen?

Natuurlijk zijn er nog mensen, die volhouden dat we best uit het niets kunnen zijn gekomen.

Het probleem is natuurlijk, als het over de dood gaat, dat de meeste mensen wel weten dat ze leven, dat kunnen ze ervaren en overzien, maar de dood is toch een duistere drempel waarvan ze absoluut niet weten wat daarachter schuilgaat, terwijl het merendeel ook niet over de mogelijkheden beschikken om te ontdekken wat daarachter schuil zou kunnen gaan.

Het altijd vernieuwend lichaam

Als we iets meer van de mens afweten en wat zijn leven betreft, dan merken we dat leven tegelijk sterven betekent, elke seconde opnieuw.elke seconde worden cellen afgebroken, er verdwijnen atomen uit ons lichaam en er komen weer nieuwe bij. Dus vanaf dat wij geboren zijn, doen we niets anders dan onszelf afbreken en vernieuwen, en weer afbreken en vernieuwen. Is die vernieuwingsenergie er niet meer, dan gaat het leven achteruit, dan worden we ouder. Dus de stof wordt moe om te reageren op de energie die er is, want die energie blijft. We hebben zelfs energie nodig om dood te gaan. Energie is volgens Einstein nooit geschapen, het was er altijd en het kan niet verdwijnen. Waarom zou de mens dan verdwijnen als hij het resultaat is van een hoeveelheid energie? Dan zou hij dus nooit geboren kunnen worden, want uit het niets kan niemand iets maken. Niets betekent alleen maar niet-iets. Maar het niets zoals men het opvat, is niet waar, het is alleen de totaliteit van het niet aanwezig zijn van een ordening, of eigenlijk maar de originele oerprincipes van de energie die zichzelf vormen in een bepaalde ordening, en die ordening is de mens en dat begint bij zijn geboorte. Maar hoe is het nu na de dood, hoe is het daar, dat willen de mensen weten. Die vraag is van dezelfde rangorde als: hoe is voor de geboorte! Want het zichtbaar worden van datgene wat wij leven noemen, komt bij de geboorte te voorschijn en is na de dood weer weg. Het is dus niet zo belangrijk om te kijken wat gebeurt er na de dood van de mens, want daar hebben we geen verhaal op. Ik heb nooit iemand gezien die terugkwam en weer in zijn body zat en dan zei: nou zal ik je eens even vertellen wat er aan de andere kant te doen is. Maar we kunnen wel redeneren vanuit de oorzaak-en-gevolg-wet. Ik word geboren en uit datgene wat geboren is, dat is dus het gevolg, kunnen we de oorzaak afleiden en die moet liggen in de voorgeboorte. Die voorgeboortelijke toestand is dus erg belangrijk. Zelfs de moderne psychologie richt zich daarop, op de toestand van het voorgeboortelijk bewustzijn en ze gebruiken dat o.a. als bewijs voor de reïncarnatie. Maar hoe secuur ze dat ook doen, het blijft een lachertje. Zelfs al kunnen ze van duizend mensen bewijzen dat hij vóór dit leven die en die is geweest, dan geldt dat bewijs nog alleen maar voor die duizend. Het zegt niets over die miljarden anderen. Er moet dus een filosofie zijn, die keihard bewijst, aan de hand van feiten van het leven van nu, hoe het aan de andere kant moet zijn, omdat daar dezelfde wetten gelden.

Energie

Anders gezegd: als er een hiernamaals is, dan moeten daar dezelfde wetten werkzaam zijn die hier ook gelden. Het leven is niet verdeeld in twee kastjes, het leven is een eenheid. Het gaat erom de centrale kracht te vinden en die kunnen we het beste vinden in het begrip energie. Niemand weet wat energie is, maar we weten wel dat het altijd is en altijd is geweest en wordt gebruikt.

Datgene wat ons overleeft, is een vorm van energie!

Unieke menselijke kenmerken

Kijk, de mens is een bron van energie, we hebben precies hetzelfde geval als met een energiebron in een centrale. Daar kun je van alles op aan sluiten, en wij of onze machines verrichten miljarden handelingen met die energie. Zo is ook de energie van het heelal, zich tonende in deze vorm, maar zich ook tonende in andere vormen. Zo zijn voor mij het leven en het doodzijn alleen maar twee verspiegelingen, twee vormen van diezelfde energie. Dus wij als energiebron komen te voorschijn, rangschikken onszelf in die vorm als mens, als een soort, dezelfde rangschikking die ervoor zorgt dat een appelboom nooit een peer voortbrengt, het is dezelfde eengerichtheid wat wij noemen ‘het geheugen aller tijden’. Maar dat laatste is alleen maar een verharde informatie, ontstaan door steeds weer hetzelfde te voorschijn te brengen. En dat heeft miljarden jaren geduurd, niet alleen bij de mens, maar ook bij de dieren, de delfstoffen, de mineralen en zelfs bij de atomen. Maar de theorie blijft: dat het zich in verschijning vormt. En die verschijning, dat is heel eigenaardig bij de mens, is uniek. Jung heeft het gezegd en bewezen en Schroerdinger, die de afweerverschijnselen bij de mens onderzocht heeft in het allerkleinste dat hij maar te pakken kon krijgen, het enzym, bewezen dat zelfs ieder onderdeel van de mens uniek gevormd is volgens die mensorganisatie. Overgebracht naar het geestelijke vlak zegt Jung: de mens is geen vergelijkbare grootheid. Men kan stellen dat ieder mens die geboren wordt op zijn eigen wijze en in alle opzichten uniek is. Waar komt die uniciteit vandaan? Komt die op het moment van de geboorte te voorschijn of moet die er al eerder geweest zijn? Indien uniciteit als uniek beschouwd wordt omdat het eenmalig verschijnt, dan is die uniciteit na de dood niet meer aanwezig. Dan is het alleen uniek voor deze kant, in dit leven. Maar de mogelijkheid tot uniciteit in deze vorm moet toch in de stof aanwezig zijn. Anders gezegd, het hele leven, het ontstaan van het leven, geeft dus een mogelijkheid om langzaam, in miljarden jaren, een richting op te bouwen en zo te worden tot datgene wat wij nu mens noemen. Hij wordt geprogrammeerd door het leven, door zijn ervaringen en die ervaringen zijn, niet alleen voor de mens als soort, maar ook voor de mens als individu, uniek en daarom is de mens zelf uniek. Die ervaringen zijn voor een appel en een peer ook uniek. Die zijn ook voor basalt uniek. Die ervaringen bepalen de vorm en zo kunnen we verdelingen maken en zeggen: dat is een mens, dat is een appel, dat is een peer en dat is basalt. Het is allemaal het uniek te voorschijn komen van bepaalde ervaringen. Laat me een voorbeeld gebruiken om te zeggen dat de mens uniek is. Als ik ergens iets zie draaien, een onderdeel van een apparaat, maar het grootste deel van dat apparaat is bedekt met iets, dan kan ik toch wel degelijk veronderstellen dat die draaiing niet uit zichzelf verloopt. Er is een energiebron, al zie ik die niet, die het draaien veroorzaakt. Dus ook de rest, dat deel dat ik niet zie, is in beweging. Zo is het met het leven ook, we zien iets dat beweegt. Waarom zou nu juist datgene wat we niet meer zien, niet bewegen? Zelfs de mensen die zeggen dat de geboorte en de dood enkel een chemisch proces zijn, zijn er op dat punt grandioos naast. Want wat zet dat chemisch proces in beweging? Dat komt toch niet maar zo uit het niets? Dat weet de chemicus van tegenwoordig ook wel, dat het ene het andere te voorschijn brengt. Maar ze staren zich er nog blind op, ze zoeken nog steeds naar die eerste vorm, die eerste beweging, maar die krijgen ze nooit, want de eerste vorm bestaat niet. Want die zou dan niet meer uniek zijn.

Dit houdt in, op grond van het bovenstaande, dat de mens als een zich steeds weer manifesterende vorm van energie, er altijd al geweest moet zijn!

Op zoek naar de vonk van het bestaan

Maar het is voor veel mensen ontzettend moeilijk zich voor te stellen dat er nooit een begin is geweest, want dat houdt tevens in dat er ook nooit een eind kan zijn. Maar waarom komt dat en waarom is dat voor de mens zo moeilijk? Omdat de mens altijd iets tot stilstand wil brengen. En dat kan niet, want het leven is beweging. Dus moeten we terugblikken in de wetten die de swabhawat aangeeft, namelijk dat de mens alleen maar verschillen kan zien. We kunnen nooit een ding op zichzelf bekijken, we zien altijd het verschil tussen twee dingen. Het ding op zichzelf bestaat niet en het verschil evenmin. Niemand heeft tot nu toe deze theorie kunnen weerspreken. Maar dat heeft als consequentie dat we nooit een begin kunnen zien, ook al zou het er zijn! Dat wil niet zeggen dat we niet ergens een begin kunnen aannemen. Iedereen kan dat voor zichzelf doen, al naar gelang zijn zicht, en dat heeft de wetenschap ook geprobeerd. Maar ook daar kom je nooit tot een vast punt, waarvan je zeggen kunt: hier begint het. Dat is ook logisch, want het begin van iets is het einde van iets anders. Maar ook dat einde moet weer een begin hebben gehad dat op zijn beurt … en ga zo maar door.

Nogmaals wij kunnen alleen met verschillen werken. Licht is het te voorschijn gekomen verschil tussen aanwezige energie en ons technisch vermogen om dat via een gloeidraad in licht om te zetten. Het feit dat wij alleen maar verschillen kunnen zien, is een vaste wet in de natuur. We moeten dus allereerst loslaten dat er een begin zou zijn. Bij geen begin en geen eind vloeit er eigenlijk uit voort: er kan geen god of schepper zijn.

Voor een god en een schepper kan plaats zijn als men het ziet als een verschil van zichzelf met god. Want als we alleen maar verschillen zien, dan hebben we deze god met ons denken zelf gemaakt, want een god is alles wat wijzelf niet zijn. Neemt wie je wilt, van welke geloofsbelijdenis ook, hij denkt toch weer anders over die god, omdat hij uniek denkt. Er is dus eigenlijk geen godsdienst met één god, maar die ene god is samengesteld uit alle godsbegrippen afzonderlijk van de leden van die gemeenschap. Er is dus een enorme veelheid van godsbegrippen, die men bundelt in één begrip, maar die in feite niet overeenkomt met al de afzonderlijke begrippen van de verschillende gelovigen. Vandaar dat er altijd afscheuringen en afsplitsingen zijn.

Als er geen god is en ook geen begin, wat is dan toch die kracht die alles in beweging houdt.

Als er geen begin en geen einde is, dan zou je kunnen zeggen dat er een eeuwigheid achter ons leven ligt, maar evenzeer een eeuwigheid voor ons. Bij ‘eeuwig’ denken wij ook altijd nog aan een einde.

Mensen veronderstellen nu juist dat eeuwigheid iets zonder einde is. Ja, maar dat noemt men dan de oneindigheid, want eeuwigheid is een opeenvolging van eeuwen. In de Nederlands taal kennen we de begrippen tijd, duur, eeuwigheid, oneindigheid. Maar dat is alleen een vergroting van de trap tijd. Maar wij kunnen over oneindigheid niets zeggen als we geen begrip van tijd hebben en omgekeerd kunnen we de tijd niet stellen als we geen begrip hebben van de oneindigheid. Wat we dus in zo’n gesprek weer doen, is het benoemen van een verschil. Iets is geen oneindigheid en daarom noemen we het tijd; het is geen tijd en daarom noemen we het oneindigheid. Wat in de oude stanza’s van Dzyan altijd gezegd wordt: één getoond, twee verborgen. Want als we zeggen tijd, dan houden we geen rekening met het verschil tussen tijd en oneindigheid die de tijd zijn naam geeft. Volgens deze theorie is het volkomen logisch – wat velen heel dwaas vinden – om te zeggen: de zoon verwekt de vader. Om de bliksem niet. Hij was geen vader tot op het moment dat hij een zoon kreeg, pas toen kreeg hij de naam vader. Maar evengoed is de man de verwekker van de zoon. Met andere woorden, die twee kanten zijn net als spiegels, ze verwekken elkaar en ze doen dat gelijktijdig, de man wordt pas vader op het moment dat hij een zoon krijgt, de zoon is pas zoon op het moment dat de man vader wordt. Vader en zoon verwekken elkaar gelijktijdig.

Aangenomen u kunt mijn theorie volgen dat de mens uitsluitend in verschillen denkt en daardoor alleen tot naamgeving kan komen en toch nog niet kunt afleiden dat de mens een eeuwig wezen is, wel, hier is mijn vervolg. Als er alleen maar verschillen zijn die wij opmerken, dan kunnen we nooit volstaan met te zeggen: ik wordt geboren, alsof dat iets was dat op zichzelf stond. Her geboren worden moet dan het verschil zijn met iets anders, en wel het verschil tussen het verdwijnen aan de andere kant als vorm en het verschijnen in de stoffelijke kant van nu. En dat noemen wij geboorte. We duiden dus weer een verschil aan. Dat houdt onder meer in, dat we in de stof een weerspiegeling hebben van wat we in de niet-stof zijn. En dat verschil blijft altijd doorgaan. Want dat is de energie. En geboorte moet dus altijd voorafgegaan zijn door een dood uit een andere toestand, maar dan is op dezelfde wijze de dood een omzetting in een weer oude toestand – met ervaring erbij van dat leven. Wij denken altijd dat de mens nu eens volledig aan de ene kant zit, het leven, en dan weer verhuist naar de andere kant. Maar dat is niet zo. Het midden van de mens blijft altijd gelijk, het andere is alleen maar spiegelwerking.

We moeten de dingen op een andere manier bekijken, want deze wetten gelden niet alleen voor de mens, maar voor alles. Neem het begrip ‘RECHTS’ en ‘LINKS’. Indien wij pal tegenover elkaar zitten en wat ik dan rechts noem is op dit moment voor jou links. Ga ik op jouw plaats dan zitten en jij op de mijne, dan worden de rollen omgedraaid. En de meeste mensen stellen zich daarmee tevreden. Maar hoe komt het nu dat wij kunnen praten over links en rechts? Alleen maar omdat er een midden is. Dat midden zien we steeds weer over het hoofd. Neem een stok van een meer lang, dan zit precies op 50 cm het midden tussen links en rechts. Maak je de stok korter, dan schuift het midden mee, maak je de stok langer, ook dan gaat het midden weer mee. Alleen in het midden worden die twee tegenstellingen links en rechts opgeheven. Het midden is eigenlijk datgene wat in werkelijkheid leeft, want als we het midden verschuiven, dan komen links en rechts dichter of verwijderen zich juist van elkaar. Daarom is het midden juist zo belangrijk, hoewel de mens zich blijft verkijken op links en rechts. En wat is nu dat midden bij de mens? Mooie boeken vertellen ons met alle mogelijke onzin dat we uit het midden van de mens moeten leven. Maar meestal snappen we niet wat ze nou eigenlijk beweren! Maar het werkelijke midden van de mens is die energie, die nooit verloren kan gaan en die altijd maar doorgaat. Het is dat midden dat bepaalt of wij op een zeker ogenblik in de stof zijn of in de niet-stof. Hoe kunnen we nu bewijzen dat dat midden altijd doorgaat en dat we daarom eeuwig zijn? Allereerst door de uniciteit van de mens. Ten tweede door de mogelijkheid van ervaring. Zou dat niet zo zijn, dan zouden kinderen die uit dezelfde vader en moeder worden geboren, altijd dezelfde prototypen moeten opleveren en dan zou er geen evolutie zijn, ze zouden alleen maar de mogelijkheden in zich hebben die ook al in de vader en moeder aanwezig waren. Maar als we om ons heen kijken, dan zien we dat ieder kind verschilt, ja zelfs volstrekt verschilt van het andere. Hoe komen ze daaraan? Ze kunnen zelfs diametraal verschillen van de ouders. Hoe is dat nou mogelijk?
Nu blijkt uit het DNA- en het RNA-principe dat ze ontdekt hebben, de zogenaamde erfelijkheidsladder, dat die genen zelf gerangschikt worden. Door wie? Hoe komt het dat pa en ma bepaalde bouwstenen verschaffen en dat het kind die bouwstenen anders gaat rangschikken en er iets anders van maakt. Wie doet dat?

Zou het kind zelf die andere rangschikking teweegbrengen?

Zo te zien moet het dit wel. Schroerdinger heeft bewezen dat de erfelijkheidsladder die zo’n kind zichzelf maakt ook weer volstrekt uniek is. Maar dat kind moet zich natuurlijk wel behelpen met de bouwstenen van de vader en de moeder. En dat heeft dan bepaalde overeenkomsten in het uiterlijk tot gevolg, de zgn. familietrekken waar iedereen zich op verkijkt en door die uiterlijke overeenkomst vergeet men dat het kind toch volkomen uniek is. Dit gelijkenis speelt ons steeds weer parten, maar het blijkt steeds weer dat kinderen niet dezelfde karakters hebben als hun ouders, met andere woorden: de bewoner van het ogenschijnlijk gelijke gebouw, is van binnen toch anders. En dat anders-zijn dan al het andere, dat is de kern van de mens. Bewijzen van dat anders-zijn, van die uniciteit, vind je in de duimafdruk die voor geen mens dezelfde is, in de stem, die voor ieder op een volkomen ander trillingsgetal beweegt. Als je stemtrilling weergeeft in een grafiek en je doet hetzelfde met iemand die schijnbaar die stem volmaakt kan imiteren, dan geeft de grafiek toch aan dat beide stemtrillingen verschillen. Hetzelfde zie je bij de afstotingsverschijnselen. Waarom komt dat, waarom weigert een lichaam iets van iemand anders. Uitsluitend omdat het niet geprogrammeerd is volgens zijn eigen bloed. Er vindt meteen een ombouw plaats om het toch geschikt te maken voor het eigen lichaam. Afstotingsverschijnselen willen zeggen dat een lichaam bijvoorbeeld een hart dat niet van hem is, eigenlijk weigert en meteen tracht dat om te bouwen. Nu is de wetenschap bezig daarvoor oplossingen te zoeken door de afweerkrachten te temperen en de opbouwkrachten groter te maken, waardoor diegene tijd krijgt om een eigen hart te bouwen. Hij blijft dus doorleven, maar verandert het hart van die ander na een aantal jaren in zijn eigen hart, dat dan inderdaad weer van hemzelf is, want hij heeft het zelf weer opgebouwd. Ook de wetenschap brengt dus al het inzicht op dat de mens uniek is, en we zijn voor bewijzen niet langer afhankelijk van wat iemand duizenden jaren geleden eens heeft beweerd. We kunnen die uniciteit nu bewijzen, in deze tijd.

Uniciteit is een sterke drang naar persoonlijkheid, zo sterk dat geen één van de miljarden mensen gelijk is aan iemand anders. Dat eist noodzakelijk dat een bepaalde hoeveelheid energie die de mens is, zich zo heeft gevormd, dat het uniek is geworden. En die uniciteit is er al bij de geboorte en moet er dus daarvoor al geweest zijn. Hij was er dus al voor de geboorte. De uniciteit blijft ook bestaan na de dood; er is dus geen verschil in de toestand voor de dood of na de dood.

De verdeling die veel mensen maken in ego en superego, aards ik en hoger ik, zijn geen reële verschillen in bewustzijn, want per slot van rekening is het bewustzijn altijd zelf een verschil.

Overgaan

En nu de hamvraag! Wat gebeurt er precies met iemand die sterft?

Iemand die sterft laat eigenlijk zijn afspiegeling in de stof los, omdat het materiaal niet meer geschikt is, de spiegel is beslagen, je ziet niks meer. Maar zijn midden gaat gewoon door, ook aan de stoffelijke kant, maar het wordt niet meer gezien.

Men kan zich nu de vraag stellen waar het midden na de dood terechtkomt. Het midden op zichzelf komt nergens ná terecht, het midden gaat gewoon door, omdat het midden de beide kanten maakt. Maar die beide kanten maken het midden ook en dat is nu juist de moeilijkheid. Ook het midden bestaat niet op zichzelf. Er is altijd die formule van drie die men overal aantreft.

Hoe moeten we ons dat bestaan aan de andere kant voorstellen?

Door de gedachte! In het denken is alles mogelijk. Wij stellen dat, hoewel we nu het gevoel hebben uitsluitend aan deze kant te leven, we toch ook aan die andere kant aanwezig zijn.

Logisch moet dit wel! Want we kunnen niet alleen rechts leven, want als wij een midden zijn, dan is er ook een links! We leven dus aan beide kanten. Meestal ziet de mens niet dat hij in stof en geest leeft en dus daarom denkt en doet en doet en denkt. In de oude filosofie werd over dit alles al gesproken en geschreven. Er bestaat in wezen een onzichtbare mens, maar dat kan nu niet meer ontkend worden, al zijn er genoeg die dat graag zouden willen. De mens bestaat dus niet alleen stoffelijk, maar ook uit trillingsvelden, die wij niet kunnen zien, maar die al wel kunnen meten. Ook hier weer, die beide kanten hebben elkaar nodig, de een kan niet bestaan zonder de ander. Dat geldt niet alleen voor de afzonderlijke mens, maar ook voor de mensheid. Ze geven allemaal graag toe dat de mensheid blijft voortbestaan, maar zeggen ook dat de mens dood gaat, de mensheid niet. Waarom met twee maten meten? Want als die mensheid niet doodgaat, gaat de mens ook niet dood. Neem een menigte, die is samengesteld uit individuen. En als daar de individuen afvallen, is er geen menigte meer. Nee zeggen ze, de mensheid blijft voortbestaan. Da, blijven die individuen ook voortbestaan. Vooral als er bewezen wordt dat al die individuen unieke persoonlijkheden zijn, niet te vergelijken met anderen. Het houdt toch in dat elke massa of de mensheid is samengesteld uit unieke individuen. Als die individuen niet door konden gaan, dan zou de mensheid ook niet door kunnen gaan.

Misschien lijkt mijn redenering mijn betoog te verzwakken. Maar men oppert wel eens vaker dat een menigte, of de mensheid, niet steeds bestaat uit dezelfde individuen, het is geen constante, waarvan je zeggen kan, als er steeds individuen afvallen, dan houdt ook die mensheid op te bestaan. Er vallen individuen af en er komen erbij. Door die afval en die aanwas blijft de mensheid bestaan, maar atheïsten zouden hier dan weer kunnen beweren dat het voortbestaan van de mensheid niet logisch ook het voortbestaan van het individu inhoudt, en dat het steeds weer andere individuen zijn. Zo vergaat ook met mijn theorie over het midden, waaruit dan het bestaan van links en rechts logisch voortvloeit. Atheïsten kunnen deze vergelijking, zolang het een meetkundige vergelijking betreft, niet ontkennen. Wel zullen zij toegeven dat een latje een midden heeft, en dus logisch een links en rechts, maar dat het daarom nog niet zo hoeft te zijn voor de mens. Het bestaan van magnetische velden en aura’s rondom de mens zullen zij niet opvatten als een bewijs voor de aanwezigheid van een geesteskant, maar als het bewijs dat de materie onvermoede aspecten heeft, die weliswaar niet met het blote oog zichtbaar zijn, maar die, omdat ze gemeten of gefilmd kunnen worden met speciale instrumenten, toch tot de materie behoren. Wellicht zullen zij zich afvragen: als de mens dan een eeuwig bestaand midden is, dat zich nu eens aan de ene kant en dan weer aan de andere kant duidelijker manifesteert, waarom zijn wij ons dan dat midden niet bewust? Maar atheïsten ontkennen alleen maar een schepper van dit alles. Ze hangen eerder een spontaan groeien van de stof aan.

Een wet die zich in een laatje, een lucifer of een doos toont, is niet dat voorwerp! Die wet is het gevolg van een verschilverschijning. De ongeziene, maar wel degelijk bestaande wereld (anti-materie) toont zich niet in zichtbaarheid voor ons oog, maar door het zichtbaar verschijnen van de wet van ontstaan. De mens hangt zich op aan wat hij ziet, voelt, hoort, enzovoort. De ongeziene wereld van het denken mag voor hem niet bestaan, ofschoon hij juist daaruit zijn zichtbare wereld verkrijgt als verschiluiting. Zo wordt de mens zichzelf zijn grootste vijand. Hij leeft scheefgetrokken.

Het menselijk bewustzijn werkt aan de andere kant precies zo met ervaringen als wat wij hier doen, want het is een eenheid, het ene verwekt het andere.

Een van de fundamenten van de Swabhawat is, dat ieder mens zijn eigen wereld schept. We moeten aannemen dat dat aan de andere kant ook zo is … dat kan niet anders!

Men kan daar, bij wijze van spreken, naar believen scheppen wat in je hoofd komt!

Dat doen we nu al, omdat we er nu al in leven. Wij scheppen in ons hoofd allerlei dingen en die moeten we alleen maar met onze handen in stof omzetten willen wij het zichtbaar maken. Maar misschien bedoelt men dat, als wij hier, aan deze kant, zeggen dat ieder zijn eigen wereldbeeld maakt, dan bedoelt men eigenlijk dat wij, aan de uiterlijke dingen die we zien, onze eigen emoties hechten en zodoende een subjectief wereldbeeld scheppen. Men neemt aan dat er toch een bepaalde, voor iedereen gelijke werkelijkheid bestaat. Als men honderd mensen een boom laten aanschouwen, dan zullen ze allemaal zeggen dat het een boom is. Niet een op honderd zal zeggen dat het geen boom is.

Dat is de ogenschijnlijke gelijkheid …

Natuurlijk zult u zeggen dat de uiterlijke vormen een soort gelijkheid hebben waar we het over eens zijn. Dat leidt tot het maken van afspraken in de naamgeving en niemand kan van die boom een tank maken.

Ho, ho wacht even. Dat is alleen maar een naam. En die naam die maakt het ding. Wij zijn allemaal wezens die geprogrammeerd worden, teveel tijdens onze opvoeding. Die gelijkheid overdondert ons steeds, maar het zijn alleen maar afspraken. Ik weet, die afspraken hebben alleen betrekking op de naamgeving, niet op de vorm. Naamgeving is heel belangrijk, want naamgeving wekt een vorm op. Als je hier nou zes mensen hebt die elkaar niet kunnen verstaan omdat ze een andere taal spreken. Als je een paard binnenhaalt, dan zal iedereen het een andere naam geven, maar ze weten dat het een paard is. Met zes andere woorden duiden ze dus allemaal dat ene dier, het paard aan. Maar het voorwerp verandert daardoor niet. Het blijft een voor ons allemaal gelijke vorm, een vrij groot dier, met een lange nek en vier poten en een staart.

Ja, maar een cavalerist zal het paard toch anders bekijken dan een groenteboer. Met andere woorden, we zien hier dat de mens in zijn eigen ervaringsveld om het voorwerp dat hij ziet of benoemt, iets hecht dat de ander er niet aan hecht. Net als met de boom, niemand zal er een tank van maken, maar wel allemaal een andere boom, de een denkt aan een soortgelijke boom thuis, de ander piekert over de naam, een derde kijkt hoe hij erbij staat, enz. iedereen maakt zijn eigen wereld!

Bent u het met mij eens, maar heeft u andere inzichten? Goed! Laten wij even eens in een virtuele discussie uitweiden. Wellicht, indien we bij die boom en die zes mensen blijven, zal u opwerpen dat zij er allemaal een andere naam voor hebben, allemaal andere facetten van die boom zien en er alleen dat beeld van meenemen dat ze ervan maken kunnen op grond van hun eigen ervaringswereld. Maar de hoofdvorm van het ding blijft voor alle zes toch hetzelfde, een ding van hout, met takken aan alle kanten en aan die takken bladeren. En dat houdt voor u wellicht in dat er een kern van realiteit overblijft die voor alle zes gelijk is.

Nee, want wat jij ‘een kern van realiteit’ noemt, daar doet niemand iets mee. Niemand kan met die boom iets beginnen als ‘Ding an sich’. Wij zien allemaal andere verschillen, wij doen niets met de werkelijke boom, maar alleen maar iets met het eigen, unieke beeld van die boom. Laat ze maar tekenen, wat krijg je dan: aan aantal takken dat niet klopt, een hoogte die niet deugt, teveel of te weinig bladeren. Je zult dan wel zeggen: het is wel niet helemaal goed, maar het heeft toch een stam en het heeft een paar takken! Ik zie al een huis ingaan dat je hebt gekocht en de architect zegt: sorry, het is een beetje gek uitgevallen, maar het lijkt toch wel op een huis, dus het is wat u besteld hebt. Ik vermoed dat jij dan wel gaat tegenpruttelen en zeggen: nee, want ik heb zoveel kamers willen van die maat, enz. Juist die ongelijkheid van uitkomst, onverschillig of het gaat over een huis of over mensen die allemaal en andere boom tekenen naar aanleiding van dezelfde boom, bewijst dat de mens zijn eigen wereld bouwt.

Virtueel hoor ik je reeds iets anders stellen: laten we ons een muur voorstellen waar we allemaal een voor een naartoe lopen …

Mijn antwoord? Dan krijg je precies hetzelfde …

Vind jij van niet? O.K. We hebben allemaal een ander idee van die muur, we hechten er andere gedachten aan, maar als we proberen erdoorheen te lopen alsof die muur niet bestond, dan krijgen we allemaal een bloedneus.

Maar dat is een ogenschijnlijke gelijkenis, omdat dit volkomen onzin is. Niemand loopt tegen een muur aan, want uit ervaring wacht hij er wel voor om daar tegenaan te lopen.

Ik hoor u al tegenstribbelen door te willen bewijzen dat er in de uiterlijke wereld een aantal dingen zijn waarvan we allemaal weten, als we dat doen, dan krijgen we er een bloedneus van. En wie het nog niet weet, zal precies hetzelfde ondervinden, zodra hij het ook probeert.

Ik wil dit best aannemen, maar het hoeft zo niet te zijn. Want als wij in een andere stoftoestand zijn, dan lopen we rustig door die muur heen. Want die muur, allerlei atomen, radiogolven, bepaalde stralingen, gaan er dwars doorheen, zelfs geluid. Met andere woorden: voor die toestand waarin die trillingen zich bevinden, is de muur geen muur zoals voor ons. Wij maken de muur dus zelf. Iedere verdichting van de stof is voor ons een informatie, zolang we in deze stoftoestand zijn, dat dat voor ons dicht is. Dat maakt dat die verdichting van de stof, die ondoordringbare muur, voor ons allemaal gelijk is zolang we in een aards lichaam zijn.

Waardoor? Niet omdat we dit aannemen, maar omdat het teruggekaatste schijnsel ons bewijst dat daar iets is. Want als je een muur zou hebben van glas, helemaal doorzichtig, dan liepen we er allemaal, bam, dwars tegenop. Maar dit zijn allemaal voorbeelden die het werkelijke probleem niet raken. Het probleem is: als we iets niet zien, dan bestaat het voor ons niet. Het bemerken van iets maakt dus de ervaring los die we al hebben, en als de ervaring van een muur eeuwen door ingeplant is dat je daar niet doorheen kunt, dan is het verdomd lastig om dat te begrijpen en te zeggen: ik ga er toch doorheen. Want telekinese houdt zich niet op met muren. Waarom kan dat dan wel!

Aangenomen we hebben iemand op de wereld die geen enkele ervaring heeft met muren … die zou er tegenaan lopen, dat zie je toch! Mensen, uit onderontwikkelde landen, die geen ervaring hebben met een draaideur moeten gewoon even zitten kijken van hoe dat moet, hoe komen zij naar binnen. Voor hen is dit geen bekende deur, ze moeten eerst iemand anders naar binnen zien gaan. Legio dingen moeten zij leren, bijvoorbeeld telefoneren zonder tussenkomst van een telefoniste, maar door zelf een nummer te draaien.

Mindstuff

Misschien zult u zich afvragen: is er aan de andere kant sprake van een realiteit waar we niet omheen kunnen, zoals hier een muur voor iedereen een voelbare en/of zichtbare realiteit is. Duidelijker uitgedrukt: als we overlijden komen we dan terecht in een schepping van anderen die vóór ons stierven en waar we ons een plaatsje kunnen zoeken, of moeten we uit een soort ‘gedachtenstof’, een ijlere materie, zelfs daar een leefwereld van de grond af opbouwen?

Dualistisch gedacht of niet soms! De mens van het midden leeft links en rechts vanuit dat midden. Hij gaat gewoon door zich uit te beelden in het geheel. Hij komt niet in een andere wereld maar blijft in zijn wereld. Net als in geest en stof. Stuit je op stoffelijke moeilijkheden, dan zoek je in je denken naar een oplossing die je in de stof gaat maken. Ons verkeerd beleven van tijd ziet niet dat leven en dood als een oogwenk zijn. De moeilijkheden van het leven trachten we in de doodskant op te lossen om die dan toe te passen in het komende stofleven.

Men beweert dat spiritisten en dergelijke, maar ook rozenkruisers of theosofen een vrij vast beeld hebben over het hiernamaals. Zo zou er een lagere astrale wereld zijn, opeenvolgende gebieden van bewustzijn, die ze soms sferen noemen en die sferen zijn mooier en harmonieuzer naarmate je hoger komt. Je zou dan in een bepaalde sfeer terechtkomen, omdat je zelf op een bepaald ‘trillingsgetal’ leeft en automatisch na de dood belanden in die sfeer die met je trillingsgetal overeen komt. Daar is dan communicatie met soortgelijke mensen, daar is ervaring, onderricht etc.

Mijn mening hierover! Allereerst is er de oude fout van de klassenindeling. Er moeten weer zonodig onderverdelingen worden gemaakt tussen mensen die verder of minder ver zijn, en dat doen we hier in het leven ook. Het is heel eenvoudig zo te denken. Mensen kunnen toch niet gelijk zijn? Ik doe zoveel moeite, dus allicht krijg ik een mooiere beloning dan de een ander. En ga zo maar door. Hij wil dat begrip niet graag loslaten, vandaar de sferen, de grazige weiden en al die mooie toestanden. Maar dat zijn allemaal oorzaken, de zucht van de mens om alles in te delen in voor hem begrijpelijke toestanden. Kijk even rond in je eigen woon- of werkkamer. Hoeveel golflengten van uitzendende stations zijn er hier aanwezig? Misschien wel duizenden. Die zitten allemaal in die ene kamer, wij hebben er geen last van en die golflengten onderling ook niet. Maar de mensen willen een beloning en dan vraag ik mij af: wie beloont een bepaald gedrag? Als men komt tot een werkelijk sluitende theorie dat de mens alleen verschilbewustwording is en dat het ding op zichzelf niet bestaat, dat de mens geen vergelijkbare grootheid is, dan is de mens, consequent doorgeredeneerd, schepper van zichzelf, hij bepaalt zichzelf.

Iemand die zich bij zijn leven een duidelijke voorstelling maakt van ‘grazige weiden’ zal na de dood ook in die grazige weiden terechtkomen, want hij werkt met zijn eigen voorstelling. Zoals hij hier met zijn eigen voorstelling werkt, heeft hij dat geprogrammeerd. Hij komt dan aan de andere kant en heeft het idee dat hij in die grazige weiden zit. Dus omdat hij die wereld maakt, is hij ook in die grazige weiden. En als er twintig of dertig mensen zijn die dat ook doen, dan is er genverschil te zien en dan zitten ze allemaal lekker in die grazige weiden. En dat willen de mensen ook graag, dat doen ze hier ook, ze willen niet alleen zijn en zoeken de gemeenschap met anderen. Maar dat is allemaal alleen maar zwakte. Ze durven niet zelf alleen te staan, noch hier noch daar.

Zij die zelfstandiger denken, die geen behoefte hebben aan gezelschap, niet hier en niet in het hiernamaals, scheppen daar hun eigen wereld. Maar dat vergeet men juist. De mens is altijd helemaal alleen. Dat is de consequentie die vastzit aan het feit dat de mens geen vergelijkbare grootheid is. Dat wil zeggen: volkomen eenzaamheid.

Men zou kunnen zeggen dat iemand die doodgaat, terechtkomt in die voorstellingswereld die hij zichzelf bij zijn leven gemaakt heeft. Maar je moet dit wel anders formuleren! Want ‘terechtkomen in’ wil zeggen: hij was hier en nou gaat-ie daar naar toe. Een mens die doodgaat, gaat niet weg! Want hij is nooit weggeweest. Het gaat altijd door, aan beide kanten, hij is ook van die andere kant niet weggeweest. Er verandert alleen maar voor de toeschouwer iets, maar voor degene die doodgaat niet: hij gaat gewoon door met al zijn eigen dingen.

Sterven door oorlog, ouderdom, een ongeluk, heeft geen consequenties, men gaat door met wat men er hier van gemaakt heeft. Die ervaring gaat men daar weer uitwerken.

Denk nu maar niet dat ik schamper wil doen over mensen die voor en na hun dood gezelschap zoeken omdat ze niet alleen durven zijn. Ook degene die eenzaam durft te zijn, schept na de dood zijn eigen wereld die niet werkelijker of onwerkelijker is dan die van de gezelschapszoekers. Als ander beeld zou ik daartegenover willen stellen de mens die bewust is, die zich bewust is dat hij zijn eigen wereld schept en ook begrijpt dat alle werelden van een ander niet zijn wereld zijn. Hij heeft geen behoefte om die andere werelden tot zijn wereld te maken. Want dat is zwakte. Wel heeft hij behoefte aan communiceren in vrijheid met anderen. En daar zijn de meeste niet aan toe, hier niet en daar niet. Als je hier dingen beweert die anders zijn, dan loop je de kans beschimpt te worden of beentje gelicht als ze daartoe de kans krijgen. De mensen willen horen dat je ‘ja’ zegt tegen hun wereld. Zelfs grote geloofsgemeenschappen bestaan alleen maar omdat er zoveel jazeggers zijn. Maar belevers zijn er niet.

Hier is er bepaalde vorm van communicatie, ik kan met jou praten, jij kunt antwoord geven. Vaak begrijpen we elkaar niet, maar de mogelijkheid is er. Nu stellen velen zich de vraag: hoe werkt de communicatie daar? Je kunt niet alleen met elkaar communiceren, je kunt zelfs van hieruit met de andere kant communiceren, als je maar de juiste golflengte hebt. Ook hier moet ik de juiste golflengte hebben wil ik via een walkietalkie met iemand praten.

Natuurlijk impliceert dit wel dat aan de andere kant toch een soort van orde bestaat, omdat het nodig is om op dezelfde golflengte te zitten, wil je daar met elkaar kunnen communiceren. Gelijke golflengte verhindert geenszins de mogelijkheid om alleen te zijn. Je kunt hier toch ook alleen zijn door je doelbewust af te sluiten. Als je daar allen wilt zijn, dan ben je alleen. Er is zelfs in de toestand van alleen-zijn nog ervaring mogelijk. Net zo als je hier bent en de eenzaamheid verkiest om bepaalde dingen nog eens na te gaan. Ervaring doe je niet alleen op door te handelen of door om te gaan met anderen. Het nadenken achter een bureau over iets wat je tot dan toe niet begrepen hebt, is ook handelen en leidt ook tot ervaring. En dat kan daar ook. Het moeilijkste is dat iedereen hier geest en stof gescheiden houdt. Maar ook met doodgewone zaken handelen we toch met de geest

Voor mij is de dood alleen maar een overgang, je gaat in een andere kamer zitten, maar het blijft je eigen huis. Kijk, de mens die dit goed begrijpt, gaat in het midden leven, waardoor hij zowel de andere kant als deze kant tegelijkertijd beleeft.

Velen zullen nu beweren dat hij niet meer beschikt over een lichaam waardoor hij in deze uiterlijke wereld niet meer kan werken. Maar dat heeft ie wel! En hij is er ook. Of wil je hem alleen maar in de hemel plaatsen, ergens ver weg? We moeten deze dingen leren zien in een eenheid van gebeuren. Bijvoorbeeld: Als ik niet meer zichtbaar ben, ben ik alleen maar niet meer zichtbaar. Als jij hier zo meteen de deur uitgaat en ik neem vijf minuten later een infrarood van de stoel waar je zat, dan zit je er nog! Maar je zit er tegelijk ook niet. De infrarode stralen maken de warmte zichtbaar die je hebt achtergelaten. Zo is het precies met de dood ook. Men blijft aanwezig. Maar omdat de mens vergiftigd is met de verkeerde ideeën, denkt hij dat hij ergens anders komt. Iemand die dood is, heeft alleen maar zijn lichaam losgelaten, maar er is nog stof waarover hij beschikken kan.

Men mag dus aannemen dat er zoveel zelfgeschapen werelden zijn in die andere stof als dat er doden zijn, maar dat geldt hier ook. Al die werelden tezamen hebben een vergelijkingsmogelijkheid.

Tot nu toe kwam hoofdzakelijk de mens als een eenheid aan bod. Men spreekt weliswaar over verschillende lagen van het bewustzijn, vergelijkbaar met een soort schillen achter elkaar. Na de dood zouden die schillen een voor een afsterven tot al de ervaring is teruggetrokken binnen dat wat je dan het werkelijke, eeuwige bewustzijn zou kunnen noemen. Laat me er hier iets meer over vertellen.

Maken we die onderscheiding alleen maar om van die strakke ideeën over geest en stof af te komen. Want in wezen is er geen enkele scheiding, het is een dooreenlopen. Er zitten hier laten we zeggen enkele tientallen radio-uitzendingen in de kamer. Als ik een radio inschakel dan kan ik er daarvan één doelbewust uitkiezen, namelijk de uitzending die ik wil horen. Maar de andere zijn er wel, maar ze hinderen elkaar niet. Er is geen sprake van scheiding, maar van onderscheiding. Zo moeten we die andere kant ook zien. Maar voor de educatie in deze dingen moet ik beginnen met onderscheidingen te maken, want als ik dat niet eerst laat zien, komt niemand tot het inzicht dat onderscheidingen uiteindelijk behoren tot het pakket van de eenheid. Daar werken we toch elke dag mee? Een boekhouding bijvoorbeeld maakt niet alleen onderscheidingen tussen debet en credit, maar elk getal is een onderscheiding van een ander getal. Maar in de uiteindelijke uitkomst, het saldo, vormen al die onderscheidingen een eenheid.

Erkenning van tijdperken die zich elk over vele miljoenen jaren uitstrekken, zoals in het Hindoeïsme, gekend als de Grote Dag en de Grote Nacht, is een manifestatie in de stof. Tijdens de Grote Dag zet het heelal uit en krimpt weer in. Als de inkrimping voltooid is, is er gedurende een even lange periode geen uiterlijke manifestatie, de nacht van Brahmaan (theosofen hebben dat weer uitgewerkt in kleinere tijdseenheden, levensronden, wortelrassen). Bij de vraag wat daarvan waar is: de astronomie heeft net hetzelfde gevonden. Het exploderen van sterren in het heelal levert na miljoenen of miljarden jaren weer een wereld op. Wat de Indiër noemt: de ademhaling van het heelal. Er komt chaos en daaruit ontstaat weer ordening. En ook die nieuwe wereld verdwijnt te zijner tijd weer, het doet er niet toe hoe. Het gaat erom: het komt en verdwijnt, het komt en gaat. Maar de energie gaat nooit verloren.

De zingeving

Nu kan men zich als vanzelfsprekend afvragen: wat als aan het einde van een bepaalde cyclus alles, inclusief de mensen, weer verzinkt in een soort van samengebalde energie. Waartoe dient dan alle ervaring? Waarom streven we dan? In de samenballing zal er toch geen afzonderlijk bewustzijn meer bestaan. Ja, ja, ik weet het, we willen een doel hebben, nietwaar?

Wel, het doel ligt in de weg zelf, niet aan het einde van die weg. Als ik van Brussel naar Amsterdam wil en ik neem de auto, hoe dichter ik bij Amsterdam kom, hoe kleiner mijn doel wordt. Het doel ligt dus niet in Amsterdam, want als ik er ben is het weg. Het doel is van de ene plaats naar de andere te komen, zich voort bewegen. Als we dan in Amsterdam zijn, maken we ons weer een ander doel, bijvoorbeeld terug naar Antwerpen. En dat betrekken we ook op andere zaken. Maar als we het streven in vraag stellen, kunnen we over een doel niet spreken, omdat wij alleen maar verschillen kunnen zien. Een doel is een ding op zichzelf en kan dus nooit bestaan. Iedereen erkent het, en toch willen ze een doel hebben. Een doel in onze wereld is een door ons bedacht eindpunt van een bepaalde handeling. Maar hoe kunnen we nu al een soort uiteindelijk doel bepalen als we er nog niet zijn?

Moeite mee? Waarom zich druk maken als dat allemaal uiteindelijk weer in een soort niets verzinkt? Denk aan het persoonlijke ‘ik-willen’. Ik wil dit, ik wil dat. Goede yogi’s hebben geen doelstelling. Zij werken alleen het nu af. Het nu komt met vragen van het leven op u af en dat moet men afwerken. Men streeft niet naar een afwerking, maar iets dat afgerond is. De ervaring die men hier uitstrooit, die zal misschien morgen nog niet te voorschijn komen en misschien zelfs over honderd jaar nog niet. Maar dat mag ons niet interesseren. Het volstaat ‘uw nu’ te hebben gedaan. Je hebt de vragen van het leven die er nu zijn, zo goed mogelijk beantwoord. Je hebt er dus geen doel mee. Maar daardoor verrijk je wel de mogelijkheid van het leven! Maar wanneer het te voorschijn komt, dat zal je een zorg wezen.

Evolutie

Men ziet door het opdoen van ervaringen toch een groei in de mens; een soort evolutie? Ervaring is daartoe de enige mogelijkheid. Zonder ervaring is er geen groei.

Maar evolutie is een heel fictief begrip. We kijken naar onze voorouders en zeggen: wat waren die dom. En die voorouders hebben ook omgekeken en zeiden hetzelfde van hun voorouders. Door ervaring komen we tot meer inzicht, tot groei. Men noemt dit, bij gebrek aan een beter woord, evolutie? En dan luidt bij velen de vraag: mogen we over duizenden of tienduizenden jaren een andere mens verwachten?

Anyhow!

Heeft het eigenlijk zin dat een mens meer kan dan wij nu? Als je kunnen tenminste betrekt op bepaalde technische prestaties. Zijn wij door dat soort kennis gelukkiger geworden? Ik heb niet de indruk, maar dat hangt er maar van af welke begrippen men daaraan hecht. Als we dit overbrengen naar het geestelijke vlak, is het niet veel anders. Ieder mens leeft eigenlijk met de achtergrond van de dood en als hij een ander begrip krijgt over de dood, namelijk dat hij altijd weer door kan gaan, dn heeft hij niet meer die haast om nu iets te bereiken. Zijn angst verdwijnt, agressiviteit neemt af. Dan zullen ook de kerken niet meer nodig zijn die de mensen geen antwoord geven maar ze alleen een suikerklontje voorhouden, de lolly van de hemel.

Bij je opmerking dat ik de zin van het leven niet beantwoord repliceer ik van wel. Ik zeg: er is geen doel. Er is alleen maar het nu, dat is het doel. Toekomst en verleden worden in het nu gemaakt, dus ik moet het nu doen. Mijn doel is, dat wat voor mijn voeten komt af te werken volgens mijn begrippen. En als ik dat volgens mijn begrippen doe, namelijk in het weten dat anderen er andere begrippen over hebben, dan wordt je toleranter, zeer tolerant.

De zin van het leven is niets anders dan dat je handelt in het nu, meer niet. Boeddha zegt ook: Wie dwingt u? je moet komen tot jezelf, begrip krijgen voor je eigen verantwoording. Dan worden we verantwoordelijker voor het leven en dus ook voor een ander.

Vaker stellen mensen de vraag wat er met onze uniciteit gebeurt wanneer zo’n cyclus helemaal is afgelopen. Hierop kan ik enkel antwoorden dat ik geen einde zie. Aangezien ik hier geen einde heb, heb ik nooit een einde. Want een einde veronderstelt een totaal niet meer zijn, op de wereld betrokken, het ineenklappen van een totaal systeem. We zien dat de miljarden sterren die er in de melkweg zijn volgens de geleerden minstens tienduizenden planeten bij zich hebben. Ik zie dus niet in, als de aarde in elkaar klapt, waarom we daar niet wederom met onze ervaring van hier opnieuw zouden beginnen. Want die energie die wij zijn, die is uniek.

Aanvaard nu eenmaal dat we niet aan de aarde zijn gebonden. Men kan stellen dat we deze aarde pas kunnen verlaten wanneer we hier geen zinnige ervaring meer kunnen opdoen. Misschien is dat de theorie! Maar laat ons alleen praten over zaken waar we zelf ervaringen mee hebben en die wij, in de stof en via de logica kunnen bewijzen. Als mijn theorie ook maar voor één ding niet zou opgaan, dan was die hele theorie niks waard. Tot op heden is er nog niemand geweest die kon bewijzen dat de kernstellingen ervan verbeterd konden worden. Ik zeg ook niet dat deze stellingen het laatste woord zijn. Als dat wel zo was, als het niet aan te vullen was of uit te breiden, dan zouden zij het einde betekenen, een punt. En dat kan niet, het leven is beweging. Misschien zijn ze goed voor vijftig, honderd of meerdere eeuwen, maar niet voor altijd. Het kan wel zijn dat het de juiste aanduiding is, maar de omschrijving moet telkens weer aangevuld worden met nieuwe ervaringen, waardoor het in een nieuw nu weer duidelijker wordt.

Terug naar het hiernamaals

Maar laat ons even terugkeren naar ons onderwerp, het hiernamaals. We kunnen elkaar hier allerlei vormen van bijstand verlenen. In fysiek opzicht hebben we ziekenhuizen en artsen, maar ook in geestelijk opzicht kunnen wij mensen op elkaar steunen, elkaar raad geven, alles binnen bepaalde grenzen, maar de mogelijkheid is er. Nu ga je waarschijnlijk jezelf afvragen of dit aan de andere kant ook zo is. Effectief, er is geen verschil tussen hier en daar. Uit het voorgaande besprokene zou je die vraag zelf kunnen beantwoorden. Iemand die hier mank geboren is, zal zijn mankheid aan de andere kant niet zo gemakkelijk kwijtraken, want hij is eraan gewend en hij beeldt zichzelf daar weer zo uit. De communicatie daar gaat gewoon door, met evenveel moeilijkheden als hier. Vandaar dat het zo belangrijk is dat we hier tot betere communicatie en meer tolerantie komen, want wat ons hier belast, belast ons daar ook. Daarom trekt men ook daar naar ongeveer gelijke trillingsgetallen, het is fijner om met gelijkgezinden op een kluitje te zitten. Maar iemand die hier in het midden leeft en beide kanten tegelijk ervaart, die zal aan de andere kant ook beseffen dat het een eigen wereld van hemzelf is en kan er dus mee handelen zoals hij wil.

Nu kan ik me wel veronderstellen dat het rationele van mijn betoog je kan overtuigen, maar dat er emotioneel nog zovele zaken mank lopen. Je kunt dikwijls een heel sterke subjectieve ervaring hebben dat voor jou zo’n overtuigingskracht bezit dat je verder geen bewijs meer nodig hebt. En speciaal waar het het leven na de dood betreft, spreekt dat gevoel heel sterk. Ik geloof dat veel mensen toch het gevoel hebben van: dat kun je nou allemaal wel zeggen, maar ik heb het zelf niet zo ervaren.

Men kan zich afvragen hoe deze mensen tot die ervaring komen. Gewoon doodgaan! Hoe wil je hier nu iemand al iets laten ervaren, waar hij geen ervaring mee heeft en waar de meeste ook geen moeite voor doen? Als eerste moet je ‘de denker’ te voorschijn brengen. En als je die niet door oefeningen meester wordt, dan zal die denker je altijd met bezwaren en tegenspraak in de rede blijven vallen. Het geeft ook niks dat iemand op een gegeven ogenblik zegt: dat is mijn waarheid. Maar als je dan niet overtuigd bent, als je twijfelt aan je eigen waarheid, ga hem dan eens testen. Maar dat doen de meeste niet, want dan komt de denker in opstand. En die wil zijn macht niet kwijt. In die toestand is de mens dualistisch, hij hoeft het niet te zijn, is het in wezen ook niet, maar wordt het door zijn eigen tegenstrijdigheid. Daarom heeft hij een dualistische denktheorie opgebouwd en daardoor loopt de mens scheef, ziet hij de eenheid niet. Daarom wil iedereen ook emotioneel overtuigd worden. Jij praat er ook steeds over: emotie, gevoel, innerlijke overtuiging. Maar emotie is een plotseling gevoel, dat niets meer waard is dan het tegendeel ervan. Emoties hebben nog nooit iets goeds voortgebracht. Maar men haalt de begrippen door elkaar. Gevoel is iets anders. Daar staat de mens zelf achter. Een emotie is niks; zodra de aanleiding weg is, verdwijnt ook de emotie. Maar gevoel blijf je altijd voelen. Als je dat kunt ontwikkelen, ontwikkel je ook wijsheid.

Meditatie

Mensen vinden bepaalde vormen van meditatie zinvol wanneer zij iets willen ervaren van hun ‘eeuwig-zijn’. Maar dat is niet zo, het is alleen een weg tot. Kijk, je moet een heleboel dingen doen. Maar daarvoor moet je eerst een heleboel weten over jezelf. Meditatie is heel goed als training, als inleiding tot de werkelijke meditatie. En de werkelijke meditatie is alleen maar een volstrekt tot rust brengen van zichzelf. Dat is in het midden leven. Men denkt wel dat meditatie plotseling tot begrip kan leiden, tot hoger inzicht en al dat soort dingen meer. De geest is wel gewillig en wil ook wel graag dingen doorgeven. Maar als er geen referentiekader is waarin het kan worden waargemaakt, dan verdwijnt het weer. Meditatie is wel een oefening om te komen tot het begrip van meditatie. Iedereen denkt: als het dan maar van binnen stil is, dan kun je mediteren. Doch niets is minder waar. Juist dan komt het beroerde, door die geweldige stilte, door het volledig opzijschuiven van de buitenwereld, kom je aan je innerlijk toe. En dan komen allereerst alle innerlijke onvolkomenheden. Met andere woorden, datgene wat je al wel wist maar nog niet hebt verwerkt, komt op als een storm. Dus zo zit je minstens de eerste dagen, soms weken, met opruimen van de ouwe boel. Totdat je op een leeg punt komt waar je uit die hele warboel bepaalde conclusies kunt trekken. Dan heb je pas een stramien gemaakt waarop je nieuwe gedachten kunt inweven. Pas dan kun je beginnen met het beschouwen van wat je nou eigenlijk wilt. Iedereen denkt, als je gaat mediteren, dan komen goede gedachten en impulsen te voorschijn. Dat is dus niet waar! Juist als je een bepaalde stilte in het denken bereikt, komen allerlei dingen uit je onbewuste naar boven en die moet je eerst opruimen. Daarom zijn mensen na een meditatie vaak zo verschrikkelijk bang en ontredderd, ze kunnen en willen er niet over praten. Pas na die opruiming begint het mediteren. Daarom vind ik het zo belangrijk dat men de juiste methode van mediteren leert, langzaam beginnen, elke dag een stapje verder, steeds iets meer opruimen en niet er zo maar plompverloren in springen.

Mijn antwoord omtrent de vraag over de methode waarop je het best die oude rommel aanpakt om hem op te ruimen?

Ten eerste het herkennen van die oude rommel. Veel mensen keren zich daarvan af. Ze komen het tegen, weigeren het te herkennen en zeggen: nee, ik moet mezelf blijven, dat zijn duistere hoekjes, daar ga ik niet in graven. En meditatie wil op dit punt zeggen, dat je jezelf afvraagt: waarom accepteer ik deze smeerboel niet? Wat heb ik voor motief om er omheen te willen? Men zegt dan dat het de denker is die dit niet wil. Maar wil ik niet veranderen terwijl ik ga zitten mediteren om nu juist te veranderen? Dan is er moed nodig, moed om het oude te onderzoeken en te zeggen: als het verkeerd blijkt, dan gaat het de deur uit. Maar dat willen de meeste niet. Ze geloven in een soort plotselinge verlichting. Maar er bestaat niet zoiets als plotselinge verlichting. Zen suggereert zoiets, plotseling is de leerling verlicht door de tekst van een koan. Maar ze vertellen niet hoelang hij daarvoor al naar zijn leraar heeft geluisterd, hoeveel jaren hij heeft doorgebracht met denken voor hij ineens die ene regel begreep. Iedere verlichting is het resultaat van zelfonderzoek en dat is de kern van meditatie. Je moet dus het mes die in jezelf durven zetten anders heeft meditatie geen zin. Maar de meeste hebben altijd wel een smoes waarom dat niet hoeft en dat betekent alleen mar dat ze niet werkelijk veranderen willen, ze zoeken alleen een aangename ervaring. Hier mijn raad: niet met meditatie beginnen! Meditatie is een manier om ons te laten voelen dat we allemaal een rugzak meesjouwen met waardeloze rommel en verlichting wil niets anders zeggen dan dat we al die ballast eindelijk overboord hebben gegooid.

Men zal nu wel veronderstellen dat het vinden van die rommel, het opsporen van oorzaken waarom iemand bijvoorbeeld depressief is, niet zo simpel ligt. De mens is een heel complex wezen en ik kan met voorstellen dat veel mensen echt wel die warboel te lijf willen, maar zoveel mogelijkheden zien dat ze de ware oorzaak niet kunnen vinden.

Toch is het eigenlijk heel eenvoudig, als je durft na te gaan waarom. Wat is de reden? De meeste redenen die mensen vinden zijn drogredenen. Maar ze kijken nooit: waarom ben ik vrolijk? Dat is ook meditatie. De grote fout is, vooral hier, dat meditatie gehanteerd wordt voor oplossing van beroerde zaken, mar je kunt je ook afvragen, waarom ben ik nou vrolijk, waarom voel ik me plezierig?

Anders uitgedrukt: als je in meditatie de vraag omkeert en het antwoord vindt waarom je vrolijk bent, dan zal je waarschijnlijk ook de oorzaak vinden waarom je op een ander moment depressief bent, namelijk door het ontbreken van dat wat je anders vrolijk maakt! Zo herken je dus het verschil tussen vrolijk en depressief zijn. Want wat wil depressiviteit zeggen? Stervensdrift! Drift tot vernietiging van zichzelf! Het ontbreken van levensmoed! We moeten dus het gevoel dat we hebben als we ons gelukkig voelen, cultiveren als een tegenwicht tegen depressiviteit.

Sterven

Blijft nog het beantwoorden van de veel gestelde praktische vraag over het sterven zelf. Vele occulte en spiritistische groepen menen dat de geest zich niet altijd even gemakkelijk van het lichaam kan losmaken. Sommigen zijn voorstander van bijvoorbeeld crematie, omdat op die manier de binding met het lichaam sneller zou verdwijnen. Fabel of iets van waarheid?

Het is niet helemaal een fabeltje, maar berust op iets anders. Een bekeerde katholiek houdt toch altijd bepaalde katholieke visies over, een bekeerde gereformeerde blijft altijd zitten met bepaalde gereformeerde inzichten. Anders gezegd: veel mensen zijn bang voor de dood, hangen aan deze stof en dat openbaart zich na het sterven in de weigering om te erkennen dat ze dood zijn. En dat is dan het moeilijk los kunnen komen van de stof, dat is geen wet, maar een geaardheid van degene die sterft. Een verbranding of begraven heeft daarop geen enkele invloed. Crematie is alleen zindelijker, dat is het enige voordeel.

Spoken

Hieruit zou men kunnen afleiden dat spokerij te verklaren is uit de gehechtheid aan de stof van de overledenen. Spokerij komt inderdaad voort uit een nog ontzettend hechten aan het leven of de binding aan de stof door een of andere onrechtvaardigheid die men ondergaan heeft. Hoeveel mensen zie je niet die op hun tachtigste nog de mond vol hebben over onrecht dat ze volgens hen tientallen jaren geleden hebben geleden. Dat gevoel nemen ze na de dood mee. Spiritisten komen daar vaak mee in aanraking, omdat hier voor de overledenen nog een kans ligt op vergelding, op een poging zich te wreken.

Nu we het toch hebben over spokerij lijkt het mij verantwoord iets over het spiritisme te zeggen. Op zichzelf vind ik het spiritisme niet gevaarlijk. Het is wel gevaarlijk voor de mens die het doet. Lat het ons zo stellen: een goed medium is een geesteshoer. Zij laat iedere geest toe zonder controle. Alles wat er zogenaamd als geest binnenkomt, en dat kan soms zelfs hun eigen denkbewustzijn zijn, accepteren ze maar. Ze maken een autoriteit van die geesten, maar nogmaals ze hebben geen enkele controle, en vaak gaat het om telepathische overdracht via het bewustzijn van andere aanwezigen. Maar ze vinden het allemaal even fijn, als ze maar mogen geloven dat het van de andere kant komt.

We zijn met een heel moeilijk onderwerp bezig, te begrijpen wat leven en dood is. Ons betoog hierover en waarom willen wij staven met feiten die bewijsbaar zijn, niet met verhaaltjes. Want dat zijn persoonlijke meningen, dat is mijn visie. Laat ons zoeken naar natuurwetten, die begrepen en onderzocht kunnen worden. Zelfs als je dat bewijs levert in geest en stof, zelfs als iemand daardoor overtuigd raakt en zegt: dat is zo grondig, daar is niks tegenin te brengen, dan nog is hij er niet. Want dan moet hij het verwerkte nog voor zichzelf bewijzen in de stof. Wie eenmaal een begrip heeft van het eeuwig doorgaande leven, die zal merken dat hij veel gemakkelijker en beter leeft. Zelfs in de Bijbel vind je tientallen voorbeelden van reïncarnatie (verkeerde woordkeuze: ik spreek liever over het doorgaande leven.) Maar die dingen worden meestal nooit te voorschijn gebracht, omdat men bang is dat de kerk dan geen functie meer heeft. Want de waarheid over deze dingen stelt de mens centraal in zijn eigen wereld, het maakt de mens tot een zelfschepper en toch staat het al in het begin van de bijbel: Laat ons mensen maken naar ons beeld. God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis. Dat is een volstrekte overeenkomst. En als je vraagt: is God eeuwig, dan zeggen ze allemaal grif ja. Maar kom je op de mens, op zijn beeld en gelijkenis, dan is die ineens niet eeuwig! Gaat God dood? Nee. Gaat Christus dood? Nee. Maar zijn wij niet hetzelfde prototype? Maar de waarheid van zulke woorden tast de machtspositie aan van allerlei mensen die anderen overheersen. Vraag maar eens aan christelijke of predikers. Over straf weten ze genoeg te vertellen, de hel, de straffen, alles weten ze breed uit te smeren. Maar vraag eens naar de hemel, waar die is, hoe het daar is, dan blijft alles in het vage. Hoe is het bewustzijn? Weten ze niet. Hoe communiceren ze daar? Weten ze evenmin. Maar van de hel kennen ze alle hoeken en gaten.

Natuurlijk bestaat er een soort hel, maar die maak jezelf, iedere dag. En je maakt ook iedere dag een hemel. Als je in evenwicht bent, dan maak je jezelf een hemel waarin je je prettig voelt en als je in disorder bent, dan ben je bezig je eigen hel te maken; kijk, eeuwenlang kwamen mensen bij de priesters met hun ellende en die maakte een kruisteken en dan was het over. Dat werd ze gezegd. En dat zit ze nog ingebakken. Vertel de mensen liever dat ze zelf hun hemel kunnen maken, net zo goed als ze zelf hun hel maken. Maar dat is velen te zwaar, ze zijn dan teleurgesteld en worden kwaad. Die hersenspoeling van eeuwen, die maakt je niet gemakkelijk ongedaan.

Al zoveel eeuwen zijn grote leraren bezig de waarheid te onderwijzen en zo de angst voor de dood weg te nemen. De dood is alleen maar een vormverandering. Men kan zelfs het moment van de eigen dood bepalen, maar dan moet men van goeden huize komen en al deze wetten begrijpen. Maar als men op grond van de bijbelse tekst durft te zeggen dat men een god is naar beeld en gelijkenis, dan is niet nederig genoeg of doet men aan profanatie.

Karma

Hoe ver reikt het karma of de invloed van vorige levens?

Al die invloeden, dat ben je, dat ben je nu. Vandaag maak je morgen. Je maakt dus ook in dit leven het volgend leven. Zoals dit leven de vrucht is van het vorige. Zo is er ook geen werkelijk goed en kwaad.

Zouden wij vel uit ons huidige leven beter begrijpen als we onze vorige levens zouden kennen?

Ook hier is het een NEE, want we zijn het al. We werken met die vorige levens. De begrippen die we nu toepassen, daar hebben we in vorige levens eraring mee gehad. We hebben al die vorige levens als een kern in ons. We moeten immers niet naar vorige levens gaan zoeken, zogenaamde feiten, namen, wie was ik, waar woonde ik? Dat kan toch niet de essentie van een vorig leven zijn? De essentie is de opgedane ervaring en die hebben we al. Het is natuurlijk een leuk spelletje, wie ben ik geweest. Maar het geeft geen verlichting: laat iedereen werken met zijn gekristalliseerde ervaring van vroeger.

Mensen die nu moeilijke dingen ondervinden in hun leven, schijnbare onbillijkheden, worden niet geholpen als zij de oorzaak zouden kennen. De mensen hangen zich alleen op aan de goeden dingen en de kwade dingen uit vorige levens vergeten ze. Ze maken er geen gebruik van. Ze zeggen niet: oh, dat deed ik dus toen fout, laat ik het nu anders doen. Ze zeggen: ik weet het blijkbaar nog steeds niet en ze maken weer dezelfde fout. Nee, zulke informatie heeft nog nooit werkelijk opluchtend en verhelderend gewerkt.

OP ZOEK NAAR DE DOOD

Bewijsmateriaal voor leven na de dood is meer voorhanden dan men zich realiseert. Vele jaren hebben individuele wetenschappers het met zorg verzameld. Dit bewijsmateriaal heeft sommigen tot het geloof gebracht dat een nieuwe wetenschap noodzakelijk is indien we ons bewustzijn willen begrijpen, en hoe we onszelf moeten inpassen in de chaos (heelal) waarvan de ware realiteit een mysterie blijft. De wetenschapper die sceptisch staat tegenover zulke uitspraken heeft het bewijsmateriaal niet bestudeerd. Klassiek houdt hij nog altijd vast aan de enigszins kortzichtige neutraliteit die de wetenschap 300 jaar geleden aannam, toen de stichters, H.H. Galileo, Descartes en Newton, besloten dat de wetenschap alleen de objectieve werkelijkheid zou analyseren. Subjectieve werkelijkheid, zoals bewustzijn, was onwetenschappelijk en viel uit de boot. Diepgaande onderzoeken in de wetenschap werden niet meer op ons innerlijk gericht, maar nu zeggen parapsychologen en anderen dat het tijd is om de grenzen te verleggen en verandering aan te brengen. Dr. Peter Fenwick, Brits neuropsychiater zegt als volgt: ‘De traditionele wetenschap beschrijft de hersenen alleen met betrekking tot structuur en functie. We kennen de rode golflengte van licht, maar er is geen wetenschap die onderzoekt waarom wij rood zien. We hebben een wetenschap van subjectieve ervaring nodig, omdat de huidige wetenschap onze natuur slechts voor de helft verklaart. We hebben een wetenschap van de geest nodig.’

Een subjectieve wetenschap van de geest zou een wetenschappelijke revolutie betekenen, gedeeltelijk mogelijk gemaakt door de wanorde in de traditionele fysica. Albert Einstein’s relativiteitstheorie weerlegde Newton’s voorstelling van het heelal, dat haar beschouwde als een grote machine, exacte oorzaak-en-gevolg regels volgend, als ballen op een biljarttafel. Ook de natuur van materie wordt niet langer beschouwd als bestaand uit deeltjes die dezelfde regels volgen als het biljartspel, maar als energievelden die zich op uitzonderlijke wijze lijken te gedragen. De kwantummechanica heeft aangetoond dat het voor materie mogelijk lijkt om zich tegelijkertijd op twee plaatsen te bevinden, en dat experimenterende soms door zijn aanwezigheid de uitkomst van zijn experimenten beïnvloedt. Een overkoepelende theorie zou de wetenschap welkom zijn, Newton’s ideeën zijn niet langer bevredigend – het universum is een oneindig mysterie.

Men speculeert dat het universum uit gedachte opgebouwd. Als materie een ‘bevroren gedachte’ is in een universum dat is opgebouwd uit ‘geestelijke materie’, dan is bijna alles mogelijk – ook het paranormale voortbestaan (voortbestaan van de geest na de dood).

Fysica

De theorieën van vooraanstaande fysici lijken steeds meer op ouderwetse mystiek. Het idee dat realiteit kan worden gedacht komt overeen met het boeddhistische concept van de wereld als een karmische illusie.

Professor Brian Josephson stelt deze nieuwe mogelijkheden als volgt: ‘In het laatste decennium is er veel gesproken over connecties tussen wetenschap en mystiek. De reactie van een enorm groot aantal wetenschappers is dat dit onzin, pseudo-wetenschappelijk is. Ik denk dat dit een foute conclusie is, en in de toekomst zullen we zien dat dit soort dingen tot de gangbare wetenschap gaan behoren. Een vaak gehoorde uitspraak is, dat wanneer er iets onorthodox naar voren gebracht wordt, wetenschappers het aanvankelijk negeren, en vervolgens zeggen dat het onzin is. Uiteindelijk beweren ze dat het voor de hand ligt en dat het al die tijd voor de hand liggend is geweest. Ik denk dat dit ook op het gebied dat men aan het onderzoeken is zal gebeuren.
Wetenschappers beweren allerlei dingen die in werkelijkheid op geloof berusten, zoals bij een willekeurig religieus geloof. Als een wetenschapper zegt dat wij begrijpen hoe de hersenen werken, of hoe de mens is ontstaan door natuurlijke selectie, dan zijn dat enorme extrapolaties. Wat er eigenlijk gebeurt is dat iemand een computerprogramma schrijft dat eenvoudige zinnen kan begrijpen en dan beweert: “Nu begrijpen we het principe van de taal en hoe de geest functioneert.” Of iemand produceert een theorie die een klein gedeelte van de evolutie verklaart, zoals een kleurverandering van een nachtvlinder als de achtergrond verandert; wetenschappers zeggen dan: “We begrijpen hoe de evolutie werkt.”‘

OVER WEDERGEBOORTEGESCHIEDENIS

Ik stierf als steen en werd een plant.
Ik stierf als plant en werd een dier.
Ik stierf als dier en werd een mens.
Waarom zou ik vrezen de dood?
Heeft ’t sterven mij ooit kwaad gedaan?
Eens zal ik ook als mens sterven
en in engelengestalte weer opstaan.
En na mijn bestaan als engel zal ik worden
wat geen mens ooit hoorde of zag.
Alles is vergankelijk, behalve God. Djalal al Din Roemi (1207 1273).

Geloof in zielsverhuizing en reïncarnatie gaat uit van een leven voor de geboorte en een leven na de dood. Het lijkt alsof er over beide zaken nooit overeenstemming heeft bestaan. Wanneer echter Schopenhauer, zinspelend op de leer van de terugkeer, spreekt over het ‘troostrijke oergeloof van de mensheid’ lijkt de geschiedenis hem gelijk te geven.

INDIA: in het kort zijn hier twee grote stromingen te onderscheiden een boeddhistische en een brahmaanhindoeïstische. Binnen het hindoeïsme gelooft men in een vorm van reïncarnatie waarbij hetzelfde IK zich iedere keer weer incarneert, terwijl volgens het boeddhisme datgene wat van de ene bestaansvorm overgaat in de andere geen ononderbroken individuele persoonlijkheid is, maar een ‘manastraal’ van het goddelijke, onpersoonlijke Zelf. Wedergeboorte wordt daarbij vergeleken met een langzaam opbrandende kaars waarmee een nieuwe wordt aangestoken en die daarmee de reeks voortzet.

BOEDDHA (geboren +/ 563 v. Chr.) hield weliswaar vast aan de samsaraleer (de eeuwige kringloop der wedergeboorten), maar verklaarde dat de verlossing niet door bemiddeling van een priester kon worden bereikt, maar door het juiste inzicht in de oorzaak van het lijden: de begeerte. Hij predikte het overwinnen daarvan en daarmee het opgeven van alle verlangens door het leiden van een deugdzaam leven. Zijn ‘vier waarheden’ luiden:

  1. Alles wat leeft is onderworpen aan onophoudelijk lijden.
  2. De oorzaak van het lijden is de levenswil en de ‘levensdorst’, d.w.z. de begeerte naar genot en macht.
  3. Onderdrukking van begeerte en levenswil maakt een eind aan ons bestaan en daarmee aan ons lijden.
  4. De weg naar opheffing van het lijden bestaat uit een juist geloof, juist denken, juist besluit, juist streven, spreken en handelen.

Hierdoor ontworstelt de mens zich aan de samsara en treedt binnen in het Nirwana. We zien hoezeer de boeddhistische wedergeboorteleer verschilt van onze door de westerse manier van denken gevormde reïncarnatieleer. Bij ons meent men verlost te worden van de wedervleeswording door de ‘productie’ van goed karma, terwijl de boeddhist juist helemaal geen karma meer wil produceren.

CHINA: ook daar bestaat dit geloof bij de aanhangers van Kung Fu Tse (Confusius) en Lao Tse (Taoïsten). TIBET: waar men het lamaïsme aanhangt, is men ervan overtuigd, dat de Dalai Lama zich iedere keer direct na zijn dood weer incarneert. Afgaande op via meditatieve en paranormale wijze verkregen aanwijzingen zoekt men vervolgens in het gehele land naar een jongen die kort na het overlijden van de Dalai Lama werd geboren en wiens gedrag tenslotte doorslaggevend is.

PERZIË: hier vindt men de leer van de meervoudige existenties in de lichtreligie van het parisme.

GRIEKENLAND: Pythagoras (ca. 582-507 v. Chr.) en Emphodokles (+/ 450 v. Chr.) leerden in wezen dat wanneer de ziel door allerlei land , zee en hemeldieren gegaan is wat een tijdspanne van 3000 jaar omvat zij weer binnentreedt in een mensenlichaam. Pythagoras meende zich vier vorige levens te kunnen herinneren. Plato (427 387 v. Chr.) gaf de reïncarnatiegedachte nieuwe impulsen, hij schreef: ‘de verontreinigingen van de ziel vormen een zware last, juist daarom voelt de ziel zich iedere keer weer tot de aarde aangetrokken.’
Volgens Plato kiest elke reïncarnerende ziel zelf haar levenslot; het karakter bepaalt de keus, het lot bepaalt de volgorde. Plotin (204 270), ontwerper van het neoplatonisch systeem, zegt: ‘de zielen hebben vrijheid van wil. De ziel doorloopt verschillende existenties. De dag die wij vandaag beleven is het resultaat van ons handelen van gisteren. Dit is de wet van de ontwikkeling, de enige wet die een verklaring bied voor de goddelijke beschikkingen.’ Philo (geboren +/ 30 v. Chr.); volgens deze joods Grieks wijsgeer, die de platonisch aristotelische filosofie trachtte te verbinden met de Mozaïsche godsdienst, leven de overledene in de aardse atmosfeer. Sommigen nemen na een bepaalde tijd een nieuw mensenlichaam aan, anderen echter, die een hoger niveau hebben, zouden volgens hem reïncarnatie verachten.

ROMEINEN: Cicero laat de oude Cato zeggen dat de mensen slechts daarom met gaven ter wereld komen omdat zij dit erfgoed in vroegere levens hebben verworven.

KELTEN: een van de belangrijkste leerstellingen van de druïden (Keltische priesters) zegt dat de ziel niet sterft maar van het ene in het andere lichaam overgaat. Op deze levensopvatting berustte de doodsverachting van Keltische krijgers en ook die van de Tlingit indianen in Zuidoost Alaska en de Druzen in Libanon.

ISLAM: voornamelijk bij de Druzen vinden wij het geloof in herhaalde menswording terug, terwijl het geloof in zielsverhuizing in de islamitische mystiek, het soefisme, is terug te vinden. Zo staan in de koran passages als b.v. soera 2, vers 28: ‘hoe kunt gij ongelovig zijn aan Allah, daar gij toch doden waart en Hij u dan heeft doen leven en Hij u daarna zal doen sterven en daarna doet leven en gij daarna tot Hem zult teruggevoerd worden?’; soera 71,17 18: ‘en Allah heeft u als planten op doen groeien uit de aarde. Daarna zal Hij u in haar doen terugkeren en u weer uit doen gaan.’

GERMANEN: het Hiernamaals bestond, zo geloofden zij, uit zes sferen (‘godenhuizen’), waarbij het mogelijk was uit elk van deze gebieden terug te keren, met uitzondering van de laagste en de hoogste sfeer. Bij de gekerstende Germanen heeft het geloof in de reïncarnatie waarschijnlijk tot in de 7e eeuw stand gehouden.

OVER LEVEN NA DE DOOD

Dood is de prijs die door leven betaald wordt voor een hogere mate van complexiteit van de structuur van levend organisme. Biologisch onderzoek heeft aangetoond dat zelfs eenvoudige organismen zo ingewikkeld in elkaar zitten, dat een leek er versteld van staat. De in verhouding simpele soorten vermenigvuldigen zich echter terwijl ze noch afsterven, noch nageslacht verwekken; zij delen zich daarentegen van tijd tot tijd op in meerdere exemplaren van dezelfde soort en vervolgens deelt ieder specimen afzonderlijk zich op zijn beurt ook weer op. Het leven kon geen hogere graden van complexiteit bereiken zonder alle exemplaren van een hogere orde af te danken en te vervangen door nieuwe, die werden verwekt via seksueel verkeer en voortplanting. Een exemplaar dat rijp genoeg is om te paren met een specimen van de andere sekse om een nieuw exemplaar van de eigen soort voort te brengen en dan naar behoren deze daad heeft verricht, vermenigvuldigt zich.

Toch wil ieder levend wezen dat de kans loopt ooit dood te gaan, in leven blijven, of hij nou al een nageslacht heeft verwekt of niet. Van alle wezens die de ‘biosfeer’ rond de planeet Aarde bevolken, blijken de mensen de enigen die zich bewust zijn van het feit dat zijzelf en al hun levende tijdgenoten eens komen te sterven en dat ontelbaar veel generaties voor hen al overwonnen zijn door de dood. Dit menselijk bewustzijn van de onvermijdelijkheid van de dood gaat gepaard met bezorgdheid en doordat de mens zich met de dood bezighoudt, zal hij zich van tijd tot tijd ook ongerust voelen over wat hem daarna te wachten staat.

Wat er na de dood met het lichaam gebeurt, is geen geheim. Na het sterven verteert het lijk. Het wordt opnieuw opgenomen in het materiële bestanddeel van de biosfeer. Er bestaat een voortdurende uitwisseling van materie tussen de stoffelijke en de levende bestanddelen van de biosfeer. Een levend organisme bestaat niet alleen uit de stoffelijke materie waaruit men het lichaam opbouwt; het is levend materiaal; een mens is bovendien niet alleen maar een levend wezen; hij heeft ook een bewustzijn en dit stelt hem in staat om keuzen te maken, zich vroegere voorvallen te herinneren en sommige toekomstige gebeurtenissen te voorspellen o.a. zijn eigen, onvermijdelijke, vanzelfsprekende dood.

Een normaal levend mens leeft niet alleen; hij heeft ook ’n bewust zijn. Bij het sterven, of misschien zelfs al eerder, verdwijnt dat bewustzijn, net als zijn leven dit in tegenstelling tot zijn lichaam.

Een lichaam verdwijnt niet. De materie waaruit het is opgebouwd, is onvernietigbaar; het lijk ontbindt, maar zijn fysieke bestanddelen blijven duidelijk voortbestaan. In tegenstelling tot het lichaam zijn leven en bewustzijn onzichtbaar en abstracte begrippen. Wat is er dan gebeurd met het leven dat voorheen het nu gestorven lichaam levend hield? En wat, als het gaat om menselijke lijken, is er gebeurd met het bewustzijn dat daarvoor nog bij de overledene aanwezig was? Met andere woorden, wat is er gebeurd met zijn persoonlijkheid?

De persoonlijkheid

We weten niet wat er na de dood gebeurt met de persoonlijkheid van een mens. We hebben geen slotconclusie en onweerlegbaar bewijs van het geen er in het vervolg op de dood gebeurd met de persoonlijkheid; dit in tegenstelling tot wat we weten over het verdere verloop van het lichaam. De kwestie dient zich vanzelf uitdrukkelijk aan en de vraag is beantwoord met een aantal verschillende hypotheses. Op dit terrein is ruimte voor giswerk en onsamenhangendheid, omdat we ons bevinden in het rijk van vooronderstellingen en niet op dat van bewijsvoering op grond van observatie. De traditionele tegenstelling tussen de onzekerheid die giswerk met zich mee brengt en de zekerheid van wat men in de werkelijkheid kan aantonen, is tegenwoordig echter twijfelachtig geworden door de bevindingen uit recent wetenschappelijk onderzoek van materie. Wanneer ‘materie’ wordt geobserveerd in heel kleine hoeveelheden die op hoge snelheden bewegen, dan wordt het of waargenomen als stoffelijke deeltjes of als onstoffelijke energiegolven. Deze twee verschijningsvormen, die beiden op dezelfde manier zijn uit geprobeerd, zijn niet met elkaar te rijmen. Zij zijn beiden waargenomen, maar niet tegelijkertijd.

De aard van de materie is dus raadselachtig geworden door de verbetering van de middelen van de wetenschappelijk onderzoeker. In deze paradox was niet voorzien. De ontdekkers werden verrast.

De meest logische vooronderstelling over het lot van een menselijke persoonlijkheid, is ervan uit te gaan dat het gelijk is aan het lot van een lichaam. Bij de dood begint het lichaam te verteren en, dan zouden we kunnen concluderen, per analogie, dat de menselijke persoonlijkheid bij het sterven uitdooft. Het is inderdaad een ‘algemeen voorkomende’ gevolgtrekking uit wat we weten, voor wat we niet weten. Anders gezegd, en dan zitten we dichter bij de waarheid, voor het onbekende, uit dat wat tot voor kort gold als zeker weten. Het lijkt redelijk om aan te nemen dat, wanneer het lichaam sterft en zich ontbindt, ook de persoonlijkheid, die onmiddellijk verdwijnt, op datzelfde moment vernietigd wordt.

Een van de alternatieve veronderstellingen is nog steeds logischer dan de hypothese dat bij het sterven de persoonlijkheid uitdooft. Een lichaam wordt niet vernietigd; het wordt opnieuw opgenomen in het stoffelijk bestanddeel van de biosfeer. Omdat de biosfeer duidelijk een stoffelijk bestanddeel heeft, is het best mogelijk dat er ook levende en bewustzijnsbestanddelen aanwezig zijn. Het stoffelijk bestanddeel van de biosfeer is ook daarbuiten teruggevonden. Men bewijst door analyses van het lichtspectrum dat door andere sterren wordt uitgestraald dat daar materiële bestanddelen aanwezig zijn, die identiek zijn aan de bestanddelen die voorkomen in de fysische samenstelling van de planeet Aarde. Tegenwoordig hebben we verschillende soorten materie die van het oppervlak van de maan, naar de aarde zijn gebracht, vanaf het hemellichaam dat het dichtst bij de aarde staat. Als we de parallel doortrekken, is het best mogelijk dat het leven en het bewustzijn in de biosfeer, waarmee de aarde omgeven is, niet begrensd zijn door deze oneindig kleine fractie van de sterrenkosmos. Ze zouden ook kunnen bestaan, niet gebonden aan materie, in de een of andere onstoffelijke ordening van de werkelijkheid. Hieruit vloeit weer de volgende stelling voort, namelijk dat als na de dood het menselijk lichaam weer wordt opgenomen in het stoffelijke en materiële bestanddeel van de kosmos het even goed zo kan zijn dat het leven en het bewustzijn van de overledene op een gelijksoortige manier weer opgenomen wordt in een hypothetische, maar logischerwijs geloofwaardige, niet stoffelijke levens vormen bewustzijnsstaat.

Het materiële bestanddeel van een levend organisme in de biosfeer is een onderdeel van het geheel waar het werd uit opgebouwd, dat tijdelijk gescheiden is van de rest zowel van het levenloze deel als van de delen die tijdelijk opgenomen werden in andere levende organismen.

Dit opgaan van een deel van de materie in een levend organisme is niet alleen een tijdelijk gebeuren; het is ook een toevallige of onzekere zaak. Het is afhankelijk van de mogelijkheden die het organisme heeft om lucht, water, voedsel en vervangingen voor zijn chemische bestanddelen te halen uit de rest van de biosfeer. Lucretius benadrukt dit als volgt: ‘niemand heeft het leven gekregen tot een absoluut eigendom; het is aan ons allen gegeven voor (tijdelijk) vruchtgebruik (en niet anders)’. Het zou logisch zijn om er vanuit te gaan dat hetzelfde geldt voor de menselijke persoonlijkheid (Dat wil zeggen voor de optelsom van de ‘lagen’ van bewustzijn en onderbewustzijn van de menselijke geest). Het zou best zo kunnen zijn dat er een onstoffelijke, niet persoonlijke of meta persoonlijke geestelijke werkelijkheid bestaat; dat deze, net als het materiële aspect, bestaat zowel ‘boven’ als ‘binnen’ de biosfeer die onze aarde omgeeft (om metaforische termen te gebruiken uit onze woordenschat over de ruimtelijkheid); dat een menselijke persoonlijkheid een splinter is, die tijdelijk is losgehaakt van die onbegrensde geestelijke werkelijkheid; en dat de persoonlijkheid na de dood weer wordt opgenomen in de bron waar het vandaan komt, de geestelijke werkelijkheid. Er zijn enkele mensen die ervaringen hebben gehad die erop kunnen wijzen dat dit waar is. Velen hebben aangevoeld dat dit de waarheid kan zijn en een paar van hen hebben uitdrukking gegeven aan deze vermoedens (mogelijk in hun geval ook afgeleid van ervaringen) in gedenkwaardige woorden.

Volgens de leer van de Zoroasters, de joodse Farizeeërs, de christenen en de islamieten blijven de zielen van de doden buiten het lichaam leven in de periode na hun overlijden tot aan het onbekende moment in de toekomst waarop alle gestorven zullen opstaan uit de dood. Volgens de leer van Boeddha, zoals die is vastgelegd in de geschriften, blijft het resterende kluwen van psychologische stadia die reïncarnatie veroorzaakt, voortbestaan zonder een bepaalde gedaante aan te nemen gedurende de overgangstijd tussen de ene geboorte en de andere. Zelfs wat dat betreft is het moeilijk zich een voorstelling te maken van geestelijke overblijfselen van dode mensen zonder een bepaalde gedaante. Net als het paradijs van Amitabha (oneindige glorie) werden Dante’s hel en vagevuur gelokaliseerd op de planeet Aarde. De fysische locatie van Dante’s hemel zou in bewoordingen van de hedendaagse wetenschap ‘buiten de ruimte’ zijn; en, in deze termen zou de hemel moeilijk te lokaliseren zijn, omdat hedendaagse geleerden erkennen dat zij niet weten of ruimte/tijd oneindig is of begrenzingen heeft. (Fysici gaan er tegenwoordig vanuit dat ruimte en tijd onscheidbaar zijn, vandaar die term ruimte/tijd.

In de westerse wereld van vandaag en onder de hedendaagse intelligentie in andere delen van de wereld bevinden zich aanhangers van zowel het ene dan het andere extreme uitgangspunt. Een meerderheid van de nu levende generaties zijn vertegenwoordigers die het voorouderlijk geloof nog beschouwen als even onomstotelijk en waar als hun voorouders. Anderen zijn veel minder trouw; in het diepst van hun hart zijn ze gaan geloven dat de dood de uitwisseling van de persoonlijkheid betekent en er zijn ook steeds meer mensen die daar openlijk voor uitkomen.

ALTERNATIEVE VERWACHTINGEN

Over het vervolg op de dood

Mensen die geloven dat de dood de uitdoving betekent van de menselijke persoonlijkheid, hebben geen alternatieve mogelijkheden over het vervolg op het sterven. Er bestaan ook geen alternatieven voor diegenen die geloven dat na de dood de tijdelijke afgescheiden persoonlijkheid weer opgenomen wordt in een eeuwigdurende werkelijkheid die, zij het dan in wat andere vorm, de tegenhanger is van de fysieke werkelijkheid die een van de bestanddelen van de mens is tijdens zijn aardse bestaan. Het nirvana is een raadselachtig uitgangspunt; iemand die geen boeddhist is, komt er moeilijk achter of het nirvana de uitdoving betekent van de persoonlijke identiteit, of dat die doorleeft in een gezuiverde vorm, waarbij het zichzelf bevrijd heeft van alle soorten van verlangens.

Toch draagt het uitgangspunt over het leven na de dood, waarbij het nirvana niet uitgesloten is, ook een alternatieve verwachting in zich op een zelfde manier als alle opvattingen over het vervolg op de dood die inhouden dat de persoonlijkheid van de gestorven doorleeft na het sterven en de daaropvolgende fysische ontbinding van het lichaam, alternatieve mogelijkheden in zich hebben.

In de boeddhistische leer vormt een mogelijk nooit eindigende stroom van incarnaties, het alternatief voor het nirvana. Men gelooft dat deze keten onvermijdelijk en vanzelfsprekend is, tenzij en totdat de mens op een bepaald moment in de reeks van psychosomatische levens op aarde, zijn karma rekening vereffend heeft door volledig de hebzucht uit te bannen die tot dan toe de wedergeboorte veroorzaakte. Het boeddhistische uitgangspunt van het karma is zowel aannemelijk als ethischer dan het christelijke geloof in predestinatie volgens Augustinus.

Volgens deze bizarre en schokkende variatie binnen het christelijke geloof, is een mens voorbestemd tot eeuwigdurend leven na de dood, dat hij of in de hel, of in de hemel doorbrengt bij de gratie van een Almachtige God, wiens uitspraken over verbanning of begunstiging doorslaggevend zijn en in ieder geval ondoorgrondelijk zijn voor het menselijk bevattingsvermogen. In de boeddhistische leer daarentegen wordt het karma niet aan de mens opgedrongen door een externe macht waaraan hij geen weerstand kan bieden of wiens invloed willekeurig is. Karma wordt voortgebracht door de persoon die het aangaat. Het is de schuld die is blijven staan op de morele rekening die de mens voor zichzelf afsluit tijdens zijn leven; en in de loop van een mensenleven kan en zal de karma-rekening oplopen, of verder afbetaald worden, al naar gelang het gedrag van de rekeninghouder zelf. Hoewel dat moeite kost, heeft hij de mogelijkheid om zijn karma rekening volledig te vereffenen en als dat lukt, is de weg vrij om definitief uit het psychosomatische aardse leven te stappen en het nirvana binnen te gaan.

Het geloof in de werking van karma is ook te verenigen met het geloof dat een mens slechts een enkel psychosomatisch leven heeft. Het is bovendien verenigbaar met het geloof dat de menselijke persoonlijkheid de dood overleeft en dat hij na het sterven beoordeelt zal worden door een externe autoriteit, beloond of gestraft zal worden overeenkomstig het vonnis van zijn rechter. Als dit niet boeddhistische geloof wordt aangehouden, dan nog zal de hoogte van het karma rekening belangrijk zijn aan het eind van een zo’n niet terugkerende levensperiode. Dit zal het belangrijkste bewijs zijn waarop de rechter zijn vonnis baseert. Karma is alleen irrelevant als men gelooft dat een mens vooraf gedoemd is tot de hel of voorbestemd is voor de hemel, zonder dat daarbij rekening gehouden wordt met zijn conduitestaat van goed of kwaad in de loop van een periode of een reeks van levens op aarde.

Tegenwoordig is het geloof in de vleselijke opstanding van doden nog officieel bindend voor alle Zoroasters, joden, christenen, moslims, Hindoes en boeddhisten; en deze zes godsdiensten hebben samen nog steeds een aanhang die gevormd wordt door de overgrote meerderheid van de wereldbevolking. De vier eerstgenoemde religies hebben als leerstelling dat iedere mens slechts een enkel leven leidt, dat de ziel na de dood buiten het lichaam verder leeft en dat op een onbekend tijdstip in de toekomst iedere ziel terug zal keren in zijn vroegere lichaam om zich te onderwerpen aan het Laatste Oordeel en, al naargelang het vonnis ofwel kunnen genieten van de fysieke weldaad in de hemel, ofwel onderworpen te worden aan fysieke ellende in de hel. Het hindoeïsme en het boeddhisme leren dat een ziel niet een keer, maar meerdere keren herboren zal worden in een psychosomatische gedaante. Volgens de boeddhistische leer kan een reeks wedergeboorten beëindigt worden, als tijdens een van de terugkerende perioden van psychosomatisch leven, de karma-rekening vereffend wordt, omdat deze vereffening de weg vrij maakt voor het binnentreden in het nirvana. Het hindoeïsme biedt deze uitweg niet. Volgens de Hindoes wordt iedereen steeds weer herboren zolang het huidige tijdperk blijft bestaan en het tijdstelsel in de Hindoeïstische kosmos is even onmetelijk als in de moderne sterrenkunde.

SAMENVATTING van het universele geloof in REÏNCARNATIE:

Altijd en in alle landen heeft men steeds geloofd in een opeenvolging van levens:

In EGYPTE: zegt Edouard Schure “na de dood… als de ziel besluit om Hermes te volgen, bereikt zij de limiet van de ondermaanse wereld of de Amenti (het rijk van Osiris). Wanneer de ziel buiten het Amenti is, heeft zij volledige herinnering aan haar vorige levens. Zij ziet haar voorbije fouten. Degene bij wie het verlangen van het goede blijft bestaan, hoewel overheerst door het kwade, hebben zichzelf verdoemt tot een nieuwe noeste incarnatie”.

De CHALDEEËRS: in zijn boek ‘Les Vies Successives’, schrijft Colonel de Rochas: “Magiërs aanvaardden dat de ziel in een voortdurende opstijging evolueerden voor de perfectie. In de eerste plaats onbewust, maakte zij opeenvolgend alle rijken van de natuur door alvorens in het rijk van menselijke natuur aan te belanden. In ieder leven verschijnt zij met de opgedane faculteiten uit haar vorig bestaan. In haar huidig bestaan vergeet zij haar vorige existenties. Wanneer zij op een punt is aangekomen dat zij voldoende gezuiverd is zal zij niet meer reïncarneren en kan zij zich aan alle vorige existenties herinneren.

De HINDOES: “In de Baghavad Gita, gedicht dat tot 9000 jaar v. Chr. teruggaat, zegt Krishna tot de prins Arjuna hem zijn tegenstanders tonend die hij moet bestrijden: deze lichamen, die gaan verdwijnen, zijn bezield met een eeuwige en onverwoestbare ziel (geest). Ik heb reeds menig geboorten gehad en ook gij Arjuna; ik ken ze allemaal, maar gij bent er onwetend van… Net zoals men oude en versleten kleren verwisseld om nieuwe aan te doen, zo verlaat ook de ziel een versleten lichaam om in een ander weer te keren”.

De GALLIËRS: Caesar zei over de Galliërs: “Zij denken dat na hun dood, hun ziel van het ene lichaam in een ander overstapt”.

De GRIEKEN: in het Phedon, zegt Plato ons: “Het is een oude verbreide opinie, zo Socrates, dat de zielen die deze wereld verlaten, naar de onderwerelden gaan (Amenti, het astrale plan, vagevuur, Kama Loka, enz.) zij van daaruit terug tot het leven weerkeren na de dood te zijn gepasseerd. Indien dat zo weze… zien we duidelijk dat de levenden uit de doden geboren worden”.

De ROMEINEN: Cicero, in zijn Leerboek over Ouderdom, zegt: “Betreffende de onheuglijke oorsprong van de zielen zie ik niet in dat men daaraan kan twijfelen indien blijkt dat de mensen geboren worden met een groot aantal kennissen. Edoch blijkt het zo te zijn het is de faculteit en de vaardigheid waarmee kinderen soms vaak moeilijke kunstvakken leren waar een infiniteit van zaken te begrijpen zijn, die laat vermoeden dat deze hun niet vreemd zijn”.

De HEBREEËRS: de Talmud vertelt ons dat de ziel van Abel overgaat in het lichaam van Seth en van daar in dat van Moses. De Zohar voegt er aan toe: “alle zielen zijn onderworpen aan de beproeving van verhuizing (transmigratie)”.

De KABBALA zegt ook: “de incarnaties doen zich met lange tussenpozen voor. De zielen vergeten volledig hun verleden en hun herboren worden laat hun toe zich te zuiveren.

De CHRISTENEN. Het eerste Christianisme onderwees de wedergeboorte. In de evangelies volgens Matheus, Lucas, Marcus en Johannes vinden we volgende passagen: “Het is waar dat Elie terug moet komen en alles zal herstellen. Ik zeg u dat Elie reeds gekomen is en zij hem niet herkend hebben. Ook zij zullen de vleesgeworden zoon doen lijden. Toen begrepen zijn discipelen dat hij hen gesproken had over Johannes de Doper”. “De discipelen van Jezus vroegen hem een blindgeborene tonende: meester, wie heeft hier gezondigd? Is het de mens zelf of zijn ouders opdat hij blind zou geboren worden?” Bewijst dit niet dat zijn discipelen geloofden dat deze blindgeborene mens, fout gedaan had voor zijn geboorte. Evenwel, hoe zou hij het kunnen zijn zo niet in een vorig bestaan?

Deze leer kon zich niet vereenzelvigen met kerkelijke dogma’s zoals de predestinatie van de mens, de eeuwige verdoemenis tot de hel en het Laatste Oordeel. Daarom werd op het Concilie van Constantinopel, in 553, door stemming een duizendjarige wereldse doctrine verworpen; zij was te gênant voor de Kerk.

MODERNE DENKERS: “U gelooft niet, zei Victor Hugo tegen personaliteiten, onder voorwendsel dat gij u niets herinnert van uw vorige bestaan, maar hoe zou de herinnering van vervlogen eeuwen indruk op u blijven uitoefenen als gij nog niet eens de duizend en een scènes uit uw huidig bestaan kunt herinneren”. Maeterlinck schreef volgende regels “De Reïncarnatie, met zijn leer van opeenvolging van boete en loutering geeft reden aan alle oneffenheden, aan alle sociale onrechtvaardigheden aan alle afschuwelijke ongerechtigheden in een leven”.

De Reïncarnatie is dus niet, zoals men geneigd is te geloven, een nieuw idee, een vernieuwing. Zij is, in tegendeel sedert eeuwen, het geloof van het mensdom; wat er nieuw aan is, is de afstand die we ervan gedaan hebben.

Zonder het Concilie van Constantinopel, zou deze waarheid en we zullen zien dat het er een is tot ons westerlingen door zou gedrongen zijn, zoals zij aan onze oosterse broeders bekend is geworden en het is wel belangrijk te weten wat Schopenhauer hierover geschreven heeft: “Indien een Aziaat mij zou vragen naar de definitie van Europa, zou ik mij verplicht voelen te antwoorden: het is dat deel van de wereld dat is behekst met de ongelooflijke illusie dat de mens uit het niets is geschapen en dat zijn huidige geboorte zijn eerste debuut in het leven is”.

VOORUITGANG! Functie van de Reïncarnatie

Tot nu toe heb ik u enkel gesproken over de reïncarnatie ten opzichte van de filosofie, de godsdiensten en op historisch vlak. Waarop, op welke reële (werkelijke) feiten is dit geloof dan wel gevestigd?

Op zaken die lange tijd verborgen zijn gebleven in de mysteries van de antieke tempels, maar die duidelijk de directe openbaring zijn geweest aan geëvolueerde mensen.

Het zijn de feiten die het domein van de toevallige observatie, en later de experimentele, uitmaken, waarover ik u nu ga onderhouden.

Eerst een korte uiteenzetting over de manier waarop de Franse theosoof M.Chevrier, die een elektro-ingenieur was (en bijgevolg verknocht aan de problemen van de materiële wetenschap), ertoe gekomen is om langs de weg van eliminatie, de noodzaak van pluraliteit van existenties (levens) te bewijzen.

Ziehier hoe hij het probleem stelt: Wat progresseert (vooruitkomen) er in de humaniteit (mensheid)? En vooral is er wel een vooruitkomen?

Voorwaar, wanneer we de menselijke evolutie bekijken in de laatste duizenden jaren, dan lijkt het ons alsof wij niet beter of superieur zijn dan de Egyptenaren, de Grieken of de Romeinen. Indien we het geheel van de menselijke evolutie overschouwen, zullen we moeten toegeven dat, vanaf de holbewoners tot heden, er wel enig verschil is waar te nemen, differentie die in ons voordeel schijnt te zijn. De mens dat een wild beest was is een geciviliseerd individu geworden. Allicht zijn er momenten dat zijn oeroude instincten hem terug in het barbaarse terugwerpen (zoals wij onlangs nog maar mogen beleven hebben), maar buiten deze uitzonderlijke perioden, is hij bekwaam om ideeën te ontwikkelen, net als wetenschap en kunst, die toch een vooruitgang merken op zijn oernatuur.

“Wat, vraagt M.Chevrier, progresseert? Zijn het de gedaanten? Is het het lichaam?
Nee, voorzeker!
We zijn niet beter gebouwd dan de Appolon van Belvédère of de Venus van Milo. Wat vooruitgang maakt is de denkwijze, het denkende principe, dat het meest effectieve voorrecht van de mens is.
Hoe komt het vooruit? Wij staan voor 3 hypothesen:

  1. Materialistische hypothese: door erfelijkheid, die de kwaliteiten van ouder op kind doorgeeft.
  2. Collectieve ziel: een soort collectieve ziel van de humaniteit, die aan de mens zijn particuliere ziel geeft en haar weer terugwint na de dood van hem.
  3. Individuele ziel: iedere persoon bezit zijn eigen ziel een denkend principe op zichzelf, dat zijn particuliere evolutie vervolgd door de eeuwen heen.

= Erfelijkheid

Vanzelfsprekend zou de erfelijkheid een verklaring kunnen zijn voor de vooruitgang van het mensdom Zelfs bij de dieren speelt zij een rol. Honden en kippen laten zich niet zo gemakkelijk meer overrijden als dat zij deden in de opkomst van de auto.

Dan zouden de kwaliteiten en verwervingen overgedragen worden van de ouders op de kinderen en iedere nieuw geboren de nalaat die hem is toegekend perfectioneren, de vooruitgang zou dan automatisch vervolgen.

Is het werkelijk datgene dat wij voor ogen krijgen? Niets is minder waar. Indien sommige kinderen de kwaliteiten vertonen van een hunner ouders, zijn er echter veel meer die kwaliteiten of fouten manifesteren die absoluut afwezig zijn bij hun ouders (zelfs bij hun grootouders). Beter nog broers of zusters die van dezelfde ouders geboren zijn vertonen soms zulke ongelijkheden, in hun morele en intellectuele uitrusting, dat zij als totaal twee wildvreemden tegenover elkander staan.
Erfelijkheid
En dan, indien erfelijkheid de sleutel tot de menselijke vooruitgang zou zijn, dan was reeds lang de perfectie bereikt in alle takken van de kunst en de wetenschappen. Gehele families zouden zich wijden aan hetzelfde beroep, aan dezelfde kunst, en zouden zozeer gespecialiseerd zijn van vader op zoon dat wij nog enkel konden spreken over families van mathematici, die van de snaarinstrumentenmakers, die van de musici enz. en het genie zou niet minder kunnen doen dan geboorte te geven aan een genie in vooruitgang op zichzelf.

Edoch, wat zien wij gebeuren, exceptie op enkele rare gevallen? De kinderen houden er niet aan om het beroep van hun ouder(s) te volgen; zij hebben andere goestingen, andere idealen. Een genie, een groot mens, ver van zijn faculteiten over te dragen op zijn kinderen, ziet in hen veeleer een afgezwakte zo niet middelmatige afstammeling, al dan niet iets heel gewoons.

En wat dan te denken van die enige ontluikingen: wat zijn een Pascal, een Claude Bernard, een Edison, een Rodin, een Pasteur, een Schuman, allen grote geleerden en grote artiesten die uit eenvoudige of middelmatige families gekomen zijn zonder afkomst om menselijke genieën te produceren. Men mag dus wel stellen als dat zij hun grootheid en faculteiten niet langs erfelijke zin verkregen.

Al deze overwegingen brachten M.Chevrier ertoe te concluderen dat de erfelijkheid op zichzelf niet in stand is om de vooruitgang van de mens te verklaren. Al doende gaat hij over naar de tweede hypothese.

= Collectieve ziel

Aangezien er vooruitgang bestaat, is er aaneenschakeling. Daar deze zich niet door erfelijkheid voltrekt, moet men veronderstellen dat het principe der vooruitgang zich buiten de lichamelijke afstamming bevindt. Zeggen we een soort collectieve ziel, een soort van opslagplaats waar alle denkende principes van de mensen zich opslorpen, na de dood, en vanwaar ook alle denkende principes vertrekken bij hen die geboren worden.

Vanzelfsprekend lijkt deze hypothese aantrekkelijk bij haar eerste kennismaking. Indien iedere ziel zijn resultaten en ervaringen die het tijdens het leven heeft opgedaan aan de massa komt toevoegen, dan zal de collectieve ziel van de mensheid zich verrijken door deze verwervingen en zal de menselijke vooruitgang er opvolgen.

Zo dat het geval zou zijn, dan zou deze intellectuele en morele massa alleen maar homogeen (gelijksoortig) kunnen zijn en de kinderen, hun denkend principe hieruit puttend, zouden bij hun geboorte gelijk begaafd moeten wezen met dezelfde fouten en ook dezelfde kwaliteiten.

En, aangezien dat niet het geval is; weleer het tegenovergestelde, is niets zo zeker als de ongelijkheid van menselijke faculteiten.

Men is dus genoodzaakt ook deze hypothese op zijn beurt te verlaten.

= Individuele ziel

De derde hypothese is die van een groot aantal geïndividualiseerde denkende-princiepen, ieder voor zich zijn evolutie voortzettend, alhoewel deze evolutie aan natuurlijke eisen voldoet door het feit dat zij naast elkander vorderen (vooruitkomen), ras bij ras, met min of meer ontwikkelde faculteiten.

Deze hypothese welke die van de opeenvolgende levens is, en geleefd wordt door dezelfde individualiteit, geeft voldoening aan de geest. In werkelijkheid, laat zij toe te begrijpen dat, op de minuut zelf, er genieën kunnen geboren worden zoals Pasteur of Victor Hugo en criminelen of verslaafden.

De eersten zijn zeer oude geesten, zeer geëvolueerd, die reeds veel geleefd hebben, reeds veel ondervinding hebben opgedaan en een grote verzameling kennis hebben vergaart dat zich als ingeboren vaardigheid manifesteert. De anderen zijn kindszielen, die weinig of nog niet geleefd hebben en die geen echt onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad.

M.Chevrier besluit dus dat menselijke vooruitgang, in zijn geheel, de som is van de individuele vooruitgang, en dat reïncarnatie de omstandigheid sine qua non (te vervullen voorwaarde) is.

ONBEKENDHEDEN

Een zeer grote meerderheid van de wetenschappers gelooft niet in het paranormale. Het idee dat een gedeelte van iemands geest buiten zijn lichaam kan bestaan, gedachten kan oppikken van een andere persoon of dingen van een afstand kan zien of soms zelfs in de toekomst kan kijken, wijzen zij af.

En toch is er gedegen wetenschappelijk bewijsmateriaal, afkomstig van honderden laboratoriumtests geanalyseerd door computers, dat suggereert dat dergelijke zaken mogelijk zijn.

De meeste wetenschappers die psi-verschijnselen afdoen als bijgelovige onzin hebben bijna nooit Charles Honorton’s analyse van vijftien jaar Ganzfeld-tests in veertien verschillende laboratoria gelezen. Zijn op statistieken gebaseerde conclusie over deze enorme serie remote-viewing-tests is, dat de kans dat het hoge succescijfer te danken zou zijn aan toeval of aan goede gissingen een kans op ‘een op triljoen’ is.

Een Ganzfeld-test is, net als de remote-viewing, een experiment met het zien van dingen die zich op afstand bevinden. Het verschil is dat bij de Ganzfeld tests alles in het laboratorium plaatsvindt. Niemand waagt zich in de buitenwereld en het doel is het overbrengen van een beeld van de ene kamer naar de andere in een totaal wetenschappelijke setting.

Niemand zou zich moeten laten afhouden van het bestuderen van deze opmerkelijke experimenten alleen omdat de wetenschappelijke orthodoxie de resultaten al bij voorbaat afwijst. Een onderzoek in 1982 wees uit dat van de beste wetenschappers in Amerika zelfs de minderheid die de mogelijkheid van het paranormale accepteert, dat meestal doet zonder de boeken vol wetenschappelijk bewijsmateriaal van hun collega’s in de parapsychologie te hebben gelezen. Zij geloven meestal uit overtuiging of naar aanleiding van schijnbaar paranormale incidenten in hun eigen leven. De meeste wetenschappers weten weinig van modern psi-onderzoek.

HET DROOMLABORATORIUM

Uiteindelijk zijn de enige gebeurtenissen in mijn leven die het waard zijn om te worden verteld, die momenten geweest waarop de onsterfelijke wereld doordrong tot de vergankelijke. Daarom spreek ik hoofdzakelijk over innerlijke ervaringen, waaronder ik ook mijn dromen en visioenen reken.

Carl Jung.

In 1962 werd door de New Yorkse psychiater, Dr. Montague Ullman, een wetenschappelijk experiment gelanceerd aan het Maimonides Medical Center in Brooklyn – een droomlaboratorium om de populaire bijgeloven in telepathie en voorkennis te testen. Kunnen dromen werkelijk laten zien wat er ergens gebeurt en kunnen zij de toekomst voorspellen?

Zijn oordeel luidde dat, te beoordelen naar de bewijzen van wetenschappelijke tests, deze antieke geloven wel eens op waarheid zouden kunnen berusten. Zes jaar later, toen het droomlaboratorium de deuren sloot, had het de weg geplaveid voor toekomstige Ganzfeld- en remote-reviewing-experimenten. De orthodoxe wetenschap beweerde dat de meeste pogingen om de resultaten uit het droomlaboratorium te evenaren mislukten, maar sommige negatieve uitslagen werden verkregen onder dubieuze omstandigheden. Het droomlaboratorium heeft op zijn minst aangetoond dat telepathie bij dromen en dromen met voorkennis gereproduceerd kunnen worden en bestudeerd onder strenge experimentele omstandigheden. Het is een moeilijk experiment, tijdrovend en duur, en dat is misschien ook de reden waarom er niet zoveel aandacht aan besteed wordt als het eigenlijk verdient.

Dr. Ullman gelooft absoluut dat onze dromen ons kunnen afstemmen op een bewustzijnsniveau dat hij ‘transcendentaal’ noemt. Is dit de dimensie die een aspect van de geest naar voren doet komen dat misschien in staat is om de fysieke dood te overleven? Het verhaal van de droomlaboratoriumexperimenten en de geschiedenis van dat fascinerende menselijke tijdverdrijf, de droom, zijn zeer relevant aan de mogelijkheid de dood te overleven.

Dr. Ullman gelooft dat onze dromen ons menselijk bestaan weerspiegelen: biologisch, psychologisch, sociaal, en een vierde dimensie die kosmisch genoemd zou kunnen worden, transcendentaal, of zelfs spiritueel.

‘Mensen zouden er voordeel van hebben als zij naar hun dromen luisterden en ermee zouden werken. In de beschaafde wereld zijn dromen een zeer onderschatte en veel te weinig gebruikte natuurlijke bron. Wij dromen allemaal en dromen zouden eigenlijk universeel toegankelijk moeten zijn; dat zijn ze echter niet. Het werken met dromen houdt op bij de deur van de kliniek. Een dromend bewustzijn speelt geen spelletjes. Het geeft een eerlijk beeld van hoe wij ons emotioneel voelen, niet hoe wij denken dat wij ons voelen, of zouden willen dat anderen dachten dat we ons voelen. ‘Het eerste gedeelte van onze dromen gaat over ons onmiddellijke persoonlijke leven, onze kwetsbaarheid. Maar dromen hebben een open einde en kunnen ons meenemen naar de wereld van het paranormale of kosmische. Deze dimensie, die misschien belangrijker is dan de persoonlijke, breekt af en toe door, typisch genoeg in tijden van crisis, als iemand ziek is, in gevaar, of een ongeluk meemaakt of plotseling sterft. ‘We weten dat deze dimensie bestaat, maar ook niet veel meer dan dat. Zij manifesteert zich op vreemde wijze. Mystieke ervaringen en misschien het paranormale worden onze gids door dit gebied, dat op dit moment een uitgestrekte onbekende vlakte is.’

Het huidige debat over de natuur en de bekentenis van dromen is al zo oud als onze beschaving. In Babylon, het oude Egypte, Griekenland, Rome en China verklaarden duizenden jaren geleden waarzeggers en mystici dromen voor zowel de rijken als de armen. Toentertijd twijfelde men er niet aan dat dromen paranormale gebeurtenissen waren. In sommige culturen werd slaap beschouwd als een tweede leven en een droom was een herinnering uit zo’n bestaan.

Het twintigste-eeuwse debat over telepathie en dromen is in de antieke wereld begonnen. Heden zijn er vele voorbeelden van vreemde dromen, maar waardoor zij ontstaan, is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De meningen zijn net zo verdeeld als de ideeën van de drie beroemdste psychoanalisten van deze eeuw, Adler, Jung en Freud. Alfred Adler was er zeker van dat dromen slechts een reflectie waren van gebeurtenissen in het leven van de dromer. Hij beschouwde het paranormale als bijgeloof. Carl Jung accepteerde de realiteit van zowel telepathische als voorspellende dromen en schreef met zeer veel inzicht over zijn eigen opmerkelijke dromen. Sigmund Freud, dubbelzinniger in sommige commentaren over dromen, schreef desalniettemin dat slaap gunstige omstandigheden schiep voor telepathie.

Freud speculeerde dat telepathie oorspronkelijk een communicatiemethode geweest kon zijn, zoals de betere communicatiemiddelen, gebarentaal en spraak. Door zijn vroegere ervaringen met het paranormale en in wezen het testen van deze uitspraken zette Montague Ullman zijn droomlaboratorium op. Ervaringen met paranormale verschijnselen in zijn studieperiode brachten hem op deze levensweg. Twee jaar lang ontmoetten Ullman en vijf andere studenten elkaar iedere Zaterdagavond aan de bridgetafel in een donker kamer.

‘We probeerden veel van de dingen uit die we klassieke werken tegenkwamen en uiteindelijk begonnen er dingen te gebeuren. Ik zal niet op details ingaan want ik denk dat die ongeloofwaardig zullen klinken, maar op een gegeven moment kwam de tafel omhoog. ‘Er verscheen ook schrift zonder dat een van ons een potlood vasthield. We hadden ook de zogenaamde denk-foto’s, waarop, op een afgesloten fotografische plaat die niet aan licht blootgesteld was geweest, iets verscheen dat betrekking had op wat wij dachten.
‘We waren geen wetenschappers die onder streng gecontroleerde condities te werk gingen, maar tijdens die periode groeide er een hechte vriendschap die tot op de dag van vandaag voortduurt. Terugblikkend op onze ervaringen van 35 jaar geleden, kwamen we tot de conclusie dat we toentertijd niet slim genoeg waren om de reeks verschijnselen die zich voordeden te hebben verzonnen.’

Visioenen en stemmen

Het is mogelijk dat er uitwasemingen bestaan waarvan wij ons nog steeds niet bewust zijn. Kunt u zich nog herinneren hoe er werd gelachen om elektrische stroom en om onzichtbare golven? De kennis over de mensheid staat nog in de kinderschoenen.
Albert Einstein.

TERUGKEER UIT HET DODENRIJK?

En toen hij aldus had gesproken, riep Christus met verheven stem ‘Lazarus, sta op’. En hij die gestorven was stond op, handen en voeten verbonden met lappen en zijn aangezicht omwonden met een doek.
De bijbel (Johannes IX: 43-44)

BDE

Voor veel mensen is het verhaal van Lazarus altijd een sprookje geweest. Vandaag zou dat waarschijnlijk noch als een sprookje, noch als een wonder worden beschouwd – maar als een gewone ‘Bijna Dood Ervaring’. Er lopen in onze tijd, heden dus, meer Lazarussen rond dan in de tijd van de bijbel – jaarlijks worden er duizenden mensen uit de dood opgewekt door de wonderen van de moderne geneeskunde. Een groot aantal getuigde dat zij tijdens hun schijndood een bestaan in een andere dimensie beleefden. Recentelijke Gallup-overzichten tonen aan dat miljoenen mensen over de hele wereld dezen Bijna Dood Ervaring (BDE) hebben beleefd.

De orthodoxe wetenschappers beschouwden de uitspraken van mensen met een BDE als bespottelijk. Op het moment is het bestaan ervan tot de pagina’s van wetenschappelijke tijdschriften doorgedrongen. Nog niet zo lang was dit anders; medici die studies publiceerden over gevallen van BDE werden verstoten of gestraft door intrekking van subsidies voor hun onderzoek. Meestal wordt gesteld dat hallucinaties van de stervende hersenen, een verdedigingsmechanisme zou zijn tegen het trauma van doodgaan. Serieuze waarnemers daartegenover hebben de bewijsvoering bestudeerd en zij vinden deze verklaring moeilijk te accepteren. Zij zijn zich bewust van het bestaan van een werkelijk mysterie, van een dimensie na de dood waar mensen in zijn geweest en waaruit zij zijn teruggekeerd. Sommige waarnemers geloven dat traditionele religieuze teksten die de andere wereld beschrijven, gebaseerd zijn op ‘Bijna Dood Ervaringen’.

Van de antieke geschriften beschrijven het Egyptische Dodenboek en het Tibetaanse Dodenboek beide het bestaan van andere werelden en komen min of meer overeen met de moderne BDE.

Sinds Raymond Moody’s boek Leven na het leven in 1975 zijn er duizenden gevallen van BDE gerapporteerd en geanalyseerd door studiegroepen over de hele wereld. In Seattle, in de VS, is door kinderarts Dr. Melvin Morse, schrijver van Nader tot het licht – leren van de Bijna Dood Ervaringen van kinderen, fascinerend onderzoek gedaan naar de BDE van kinderen.

Dr. Morse zegt dat de wetenschap alle aspecten van een BDE kan verklaren, behalve het heldere licht aan het einde van de tunnel. Het idee van een tunnel kan verklaard worden door het afsluiten van de bloedtoevoer naar de occipitale hersenkwabben aan de achterzijde van het hoofd, waardoor kokerzicht ontstaat. Dan is er ook het gebied in de hersenen dat patiënten in staat stelt zich voor te stellen dat zij hun lichaam verlaten, misschien als een natuurlijk afweermechanisme tegen de levensbedreigende situatie.

‘Als dit de hele BDE was, dan zou die keurig door de wetenschap verklaard kunnen worden. We zouden een donkere wereld binnentreden en sterven. En toch zeggen de geïnterviewden niet dat de ervaring eindigde in het duister. Aan het einde van het duister kwam prachtig helder licht, complex en emotioneel, en duidelijk niet het product van afstervende hersenen, omdat hiervoor alle delen van de hersenen zouden moeten functioneren, het limbisch systeem en de temporale hersenkwabben in het bijzonder. Zij zouden moeten functioneren om zowel een visioen van licht als complexe emotionele beelden op te kunnen wekken.
‘Waar het licht op het moment van overlijden vandaan komt, is op het moment nog onduidelijk, maar men kan rustig zeggen dat het niet wordt geproduceerd door afstervende hersenen.’
Het onderzoek van de studiegroep toonde aan dat de BDE’s niet worden veroorzaakt door medicijnen, niet door het ontbreken van zintuiglijke waarneming en niet door psychologische stress. Patiënten die verschillende medicijnen gebruikten of aan psychologische stress blootstonden, bleken geen BDE te hebben.

Men mag aannemen dat men een stukje verder zijn gekomen nu we weten dat ieder menselijk wezen tijdens het sterven het gevoel krijgt zijn lichaam te verlaten en naar een mooi, liefdevol licht op weg te zijn. Dit gaat duidelijk niet samen met een materialistische zienswijze. Als we Occams Razor op deze situatie toepassen – dat de eenvoudigste hypothese voor de verklaring van bepaalde gegevens meestal de juiste is – dan is de eenvoudigste verklaring voor onze gegevens dat mensen daadwerkelijk een ziel hebben die het lichaam verlaat op her moment van overlijden. Maar ook andere, meer gecompliceerde verklaringen kunnen naar voren gebracht worden.’

Vooraanstaande wetenschappers verklaren de BDE als een universele herinnering aan de geboorte – het door een donkere tunnel gaan en geconfronteerd worden met het heldere licht van de buitenwereld op het moment van geboren worden. Dr. Morse wees op enkele problemen bij deze theorie. Sommige patiënten met BDE waren met een keizersnede ter wereld gekomen en konden natuurlijk niet de ervaring hebben van een normale geboorte.

‘Deze theorie is een verkeerde interpretatie van de geboorte op zich. Wanneer er een kind wordt geboren, gaat het niet door een tunnel met zijn gezicht naar voren en zijn ogen open, maar wordt het platgedrukt en met gebogen hoofd en gesloten ogen naar buiten geperst.
‘Bovendien spraken de kinderen, die over hun BDE vertelden, niet over een nauwe afgesloten tunnel en een plotselinge confrontatie met fel licht. Zij bevinden zich in een ruime donkere tunnel en hebben een paranormale beleving. En waarom zou een ongeboren mens het heldere licht liefdevol en wonderbaarlijk toeschijnen? Het kind heeft de baarmoeder verlaten, huilt meestal en wordt dan onmiddellijk in vreemde handen geduwd en gewassen en geschrobt. Indien een BDE eenvoudigweg de herinnering aan de geboorte zou zijn, dan zie ik niet hoe het licht van de geboorte een wonderbaarlijk en liefdevol licht kan zijn.’

Dr. Morse vertelt: ‘Er bestaat geen twijfel over het feit dat BDE onze religieuze denkers, onze filosofen en onze wetenschappers zullen gaan uitdagen om met nieuwe concepten te komen van de geest en het lichaam. We zijn geen zielloze machine – het is natuurlijk veel complexer dan dat.’

INDRINGERS UIT DE BOVENNATUURLIJKE WERELD

Alles wat wij zien of lijken, is slechts een droom in een droom.
Edgar Allen Poe.

ECHO’S VAN DE DODEN

Spookverhalen hebben in privé-omstandigheden altijd een gewillig oor gevonden, maar publiekelijk zijn ze meedogenloos verworpen. Wat mezelf betreft, durf ik van veel van deze verhalen de waarheid niet te ontkennen, daar ik noch weet hoe de menselijke geest op de wereld komt, noch hoe zij deze verlaat.
Immanuel Kant.

Ziekenhuisartsen en -verpleegsters in de USA en in India zeiden dat stervende patiënten regelmatig verschijningen zagen van overleden familieleden en vrienden die gekomen waren om ‘hen op te halen en mee te nemen naar het hiernamaals’. Dit waren merendeels geen BDE maar doodsbedervaringen van patiënten die, binnen vierentwintig uur nadat zij het ziekenhuispersoneel hadden verteld over hun buitenaardse bezoekers, overleden.

Deze bevindingen zijn onderdeel van een thanatologie-onderzoek bij 1.000 patiënten; dit is een nieuwe tak van de wetenschap, genoemd naar het Griekse woord voor dood, en bestudeerd de dood en het sterven.

In augustus 1990 toonde een Gallup-opiniepeiling aan dat ongeveer de helft van de bevolking van Europa, en nog beduidend meer in Amerika, gelooft in een bepaalde vorm van leven na de dood. Dr. George Gallup junior vertelde zijn mening: ‘Er gebeuren ongelooflijke dingen in het leven van mensen. Grote aantallen mensen geloven niet alleen in het paranormale, zij hebben zelf een ervaring gehad. De informatie die we binnenkrijgen is echt indrukwekkend en vergelijkbaar met die uit andere landen. Het is een fenomeen dat nog niet grondig is onderzocht. Als deze eeuw gewijd was aan de ontdekking van de ruimte, dan zal de volgende eeuw gewijd zijn aan de ontdekking van ons innerlijk.’

Verschijningen

Andere onderzoeken toonden aan dat in het Westen verschijningen heel anders zijn dan de traditionele spookbeelden toebehorende aan de aristocratie, als statussymbool van het kasteel. Vandaag de dag worden verschijningen regelmatig door gewone mensen waargenomen in hun dagelijks omgeving.

In een dorp in Wales, in 1971, werd aan weduwen en weduwnaars gevraagd of hun overleden partner contact met hen had opgenomen – verbazend genoeg zei bijna de helft dat dit het geval was. Dr. W. Rees publiceerde zijn bevindingen in de British Medical Journal. Hij ondervroeg 81% van alle weduwenaren en weduwen in het dorp. Het ging hem alleen om ervaringen die waren gedaan als de persoon wakker was – niet om dromen of om mensen die een verschijning hadden waargenomen met hun ‘innerlijk oog’. Mensen met onduidelijke ervaringen werden ook niet bij het onderzoek betrokken. Het onderzoek wees uit dat weduwen die gelukkig getrouwd waren geweest het meest in aanmerking kwamen voor een ontmoeting met hun overleden echtgenoot. Geen van de weduwen die geïnterviewd waren, had het ooit aan een arts verteld, één weduwe had het aan een geestelijke verteld. Hun geheimhouding had bijna unaniem een reden: angst om te worden uitgelachen, wat eigenlijk een aanklacht is tegen de houding van de doktoren en de priesters, en misschien ook wel tegen de rest van de mensen. Drie andere onderzoeken hebben, door middel van groots opgezette landelijke steekproeven, sinds 1971 de gegevens van Rees bevestigd.

Maar zijn deze dingen echt gebeurd of zijn ze verzonnen door eenzame diepbedroefde mensen die een vorm van troost trachten te vinden? Het antwoord op deze vraag verschilt van geval tot geval, maar een aanmaning tot voorzichtigheid door degenen die aannemen dat het allemaal hallucinaties zijn veroorzaakt door verdriet, is dat de weduwen die het meest verdriet leken te hebben en voor depressie onder behandeling waren, het minst last hadden van verschijningen.

Gelijksoortige twijfel werd uitgesproken over de verschijningen bij stervende mensen in het ziekenhuis. Net als de BDE, was het de vraag of het om fantasieën gaat van een overspannen en stervende geest of om een andere dimensie na de dood. De patiënten die een verschijning hadden waargenomen, veranderden zichtbaar. Sterven is een sombere en pijnlijke ervaring, maar de grote meerderheid (72%) van degenen die bezoek hadden gekregen van een verschijning, waren opgetogen en bereid om te gaan sterven.

Vooral deze algehele acceptatie vond Dr. Osis zo opmerkelijk. Hij zei: ‘Doktoren en verpleegsters beweerden dat de patiënten over het algemeen niet uit hun doen raakten van de verschijning, maar juist opleefden en vol verwachting leken. In deze gevallen wordt de wil om te leven, het sterkste instinct dat we kennen, overwonnen door iets transcentaals. Dat heeft indruk op me gemaakt.’

Bij de evaluatie van dit onderzoek is het belangrijk te onthouden dat artsen en verpleegsters medisch geschoolde waarnemers van de zieken zijn – niet bepaald het soort mensen waarvan men verwacht dat zij uitspraken over paranormale activiteiten op ziekenhuiszalen makkelijk geloven. Osis en Haraldsson vonden in dit onderzoek een bewijs voor leven na de dood. In hun laatste alinea zeggen ze dat de belangrijkste tendens van het onderzoek is dat het de ‘leven-na-de-dood-hypothese’ ondersteunt, en zij definiëren het als ‘de overgang naar een andere vorm van bestaan’.

Onderzoeken tonen aan dat men een verschijning meestal ziet op klaarlichte dag en het een bekend iemand is, die net een gewelddadige of plotselinge dood is gestorven. Het is mogelijk dat je al eens een geest hebt gezien zonder het je te realiseren – het overgrote deel van de mensen dat een verschijning ziet, weet niet dat de ‘persoon’ die zij zagen overleden was.

Het huidige wetenschappelijke onderzoek naar verschijningen is meer gericht op de statistieken dan op sensationele, individuele gevallen. Parapsychologen zoeken naar een terugkerend patroon, iets om een theorie op te bouwen en verband te leggen met andere wetenschappen. Een recent onderzoek Encounters with the Dead, geschreven door prof. Haraldson in 1989, achterhaalde met een analyse een paar mythen.

Meer dan de helft van de verschijningen werd op klaarlichte dag waargenomen of in het volle lamplicht – dit in tegenspraak met traditionele spookverhalen van verschijningen midden in de nacht. Ongeveer een derde werd in de schemering gezien en slechts één verschijning op de tien was in het donker. De geesten van de doden blijken toch niet zo bang te zijn als veel mediums die zelf in het donker werken, beweren!

Maar wat is een verschijning, waardoor wordt ij veroorzaakt? Wetenschappelijke analyse van verschijningen is niet nieuw. Modern onderzoek begon in 1886 met twee grote boeken Phantasms of the Living (Edmund Gurney, Frederick W. H. Myers en Frank Podmore). Deze stichters van de vereniging voor paranormaal onderzoek analyseerden honderden gevallen en zetten een debat op over de oorzaken ervan dat tot op de dag vandaag voortduurt.

Gurney en Podmore geloofden dat verschijningen veroorzaakt werden door telepathie van de persoon die de geest ziet. Myers echter vond dat de persoon die als geestverschijning werd waargenomen de sleutelfiguur was – een persoon, stervend misschien of zelfs dood, die op een bepaalde wijze in staat was een boodschap te projecteren in de vorm van een verschijning. Myers zienswijze ondersteunt de mogelijkheid van leven na de dood.

Prof Ian Stevenson (Virginia) zegt dat motivatie de bepalende factor is bij de beslissing wie de oorzaak van de verschijning is. Heeft de persoon die de verschijning ziet een overheersende behoefte om langs paranormale weg informatie over iemand te verkrijgen? Of heeft de persoon die als verschijning word waargenomen zeer duidelijke redenen om een boodschap over hemzelf over te brengen? Het bewijsmateriaal lijkt het tweede idee te ondersteunen.

Zijn conclusie: ‘Ik denk dat het aspect van plotseling overlijden de motivatie van de stervende of overledene vergroot om nog informatie over te brengen aan mensen van wie de overledene of stervende denkt dat zij geïnteresseerd zullen zijn. Mensen die langzamer overlijden hebben voldoende tijd om via normale wegen te communiceren.’

Dr. Haraldsson deed ook mee aan het reeds lang lopende debat Gurney – Myers betreffende de motivatie achter verschijningen. De verschijningen die in gewelddadige omstandigheden waren omgekomen, hadden een intense manier van communiceren. Haraldsson zei: ‘Dit ondersteunt Myers’ theorie en het populaire geloof dat de verschijning van de overleden persoon een actieve rol speelt tijdens de ontmoeting. Een stap verder, en men zou zich kunnen afvragen of een gewelddadige dood het contact met levenden meer gewenst of gemakkelijker maakt.’

PRIEMGETALLEN VOOR EEN BESCHAVING

Bekijken we even een ander facet tot mogelijke verklaring voor uitleg en staving van het probleem reïncarnatie.

Laat ons uitgaan van een mathematische module die in ons tijdperk van computeriserende informatica, ons best op het spoor kan helpen om inzicht te verkrijgen over het rationele denken ten gevolge van het voortbestaansprobleem:
Plotseling, zo’n dertien tot vijftien miljard jaar geleden, begon de kosmische klok te tikken (dit volgens de uitspraken die de wetenschappers ons deden). In één onvoorstelbaar heftige explosie ontstond alles wat is, en nog geen miljoenste seconde later was hierdoor ook het uiteindelijke lot van het universum onwrikbaar vastgelegd. Tussen dat onbegrijpelijke begin en dat verre, onafwendbare einde ligt het nu, waarin wij toevallig leven. Op een onbeduidend planeetje, draaiend rond een zon die nauwelijks verschilt van het paar honderd miljard andere zonnen in onze naaste omgeving. We noemen deze groep bij elkaar staande sterren de ‘Melkweg’. Het is maar een naam. Er bestaan ontelbaar veel andere melkwegen, dan zilveren druppeltjes zwevend in een oneindige oceaan van zwarte leegte. Men vermoedt zelfs dat er veel meer van die ‘oceanen’ kunnen bestaan…

Wie dit alles probeert te bevatten, moet wel tot de conclusie komen dat de mens onmogelijk de enige intelligente levensvorm in het heelal kan zijn. In termen van kansberekening zou het een werkelijk onvoorstelbaar ‘geluk’ zijn geweest dat juist hier, en nergens anders, intelligent leven ontstond. Volgens de wetenschappelijke opvattingen gelden de natuurwetten overal in het universum (we laten het mogelijke bestaan van ander heelal maar even buiten beschouwing). Materie, energie en natuurkrachten manifesteren zich door het hele universum op dezelfde wijze. Dat betekent dat, als ergens rond een andere ster een planeet cirkelt onder min of meer vergelijkbare condities wat afstand en samenstelling betreft, de belangrijkste voorwaarden zijn vervuld om ook dáár een vorm van leven te doen ontstaan. De evolutie kan dan op haar gemak de rest doen, precies zoals bij ons is gebeurd.

Je zou kunnen tegenwerpen (of hopen) dat het verschijnsel ‘mens’ uniek is, maar intelligentie kan natuurlijk in allerlei lichamen schuilgaan. Het vermogen om te denken is niet per definitie het alleenrecht van wezens die rechtop lopen, vijf vingers aan elke hand hebben en oorlogen voeren. Deze conclusie roept vragen op, bv.: als we niet de enigen in het heelal zijn met intelligente vermogens, waarom hebben we dan nog nooit iets van die anderen gemerkt? Het kan zijn dat we niet weten waar we die andere beschavingen moeten zoeken. Of dat we nog niet grondig genoeg hebben gezocht natuurlijk. Ook leuk is de volgende vraag: stel dat we een andere beschaving ontdekken, hoe communiceren we daar dan mee? En wat ga je ze vertellen?

BROKSTUKKEN

In de moderne astronomie heerst nog nauwelijks meningsverschil over de vraag hoe onze zon is ontstaan. Het begon met een enorme wolk van interstellair gas en stof, die door aantrekkende krachten heel langzaam ‘ineenstortte’ tot een platte, roterende schijf. In het centrum van die schijf hoopte zich steeds meer vaste stof op, een proces dat werd versterkt door de draaiende beweging van de schijf. Op een gegeven moment was in de kern genoeg materie verzameld om een gloednieuwe ster te laten ontbranden. Met andere woorden: hitte, massa en druk waren dusdanig toegenomen dat er spontaan een kernreactie op gang kon komen.

Er gebeurde echter meer in de schijf, op verschillende afstanden van het centrum. Kleine stofdeeltjes en ijs – de interstellaire ruimte bevat enorm veel water – klonterden op willekeurige plaatsen samen tot brokstukken die, al draaiend, botsend en buitelend, uiteindelijk de planeten hebben gevormd. Computersimulaties suggereren dat die zogenaamde ‘protoplaneten’ (typisch enkele kilometers groot) in de loop van circa honderd miljoen jaar ontelbare malen met elkaar in botsing moeten zijn gekomen, waarbij ze verpulverd en andere keren opnieuw samenklonterden.

Ons zonnestelsel is naar schatting zo’n 4,5 miljard jaar oud. De draairichting van de oerschijf weerspiegelt zich nog altijd in de omloopbanen van de negen planeten: ze cirkelen allemaal met de rotatiebeweging van de zon mee (tegen de richting van de klok in, als je van boven de Noordpool naar de aardbol kijkt), in vrijwel één plat vlak. De binnenste planeten – Mercurius, Venus, Aarde en Mars – zijn tamelijk klein en lijken op rotsblokken. Ze bevatten in verhouding veel zware elementen zoals silicium en ijzer.

De vijf buitenste planeten – Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus en Pluto – bevatten veel meer lichte, vluchtige bestanddelen zoals waterstof, helium, ammonia en methaan. Deze gassen vormen een gigantische, bevroren schil rond de vaste kern, waardoor de buitenplaneten een aanzienlijk grotere massa bezitten dan de vier binnenste. Dit kan simpel worden begrepen als je bedenkt dat de temperatuur in het centrum van de oerschijf veel hoger was dan aan de buitenkant. Het merendeel van de gasachtige bestanddelen van de binnenplaneten is daardoor al lang geleden vervlogen.

Jupiter lijkt in zijn samenstelling verrassend veel op de zon zelf, en heeft verreweg de grootste massa van allemaal (hoewel nog altijd maar ongeveer één duizendste van die van de zon). Je kunt Jupiter met wat goede wil beschouwen als een ‘mislukte’ zon, een planeet die niet groot genoeg kon worden om – net als een ster – tot ontbranding te komen.

AFSTANDEN

Voordat we op zoek gaan naar planeten rond andere sterren, moeten we met een gedachtenexperiment de zaken even in de juiste verhouding zetten. Het is zinloos kosmische afstanden in kilometers uit te drukken. Een veel beter geschikte maat is een ‘lichtjaar’. Het licht beweegt zich met een constante snelheid van ongeveer 300.000 kilometer per seconde. Na een jaar heeft een lichtstraal daarom bijna 10 biljoen kilometer afgelegd (ofwel tienduizend miljard). Als we de snelheid van het licht als eenheid in gedachten houden, krijgen we een ruwe voorstelling van de enorme afstanden in het heelal. We volgen een lichtstraal die op tijdstip t=0 de zon verlaat. Binnen enkele minuten heeft hij Mercurius en Venus achter zich gelaten, en na iets meer dan acht minuten bereikt hij de aarde. Ruim vier uur later passeert het licht de planeet Neptunus, waarna het ons zonnestelsel verlaat om de zwarte leegte in te snellen. Pas na ongeveer zes jaar bereikt het licht de ster van Barnard, een van de dichtstbijzijnde sterren in de Melkweg.

De afstanden tussen de melkwegstelsels zijn van een geheel andere orde van grootte. Zo duurt het maar liefst twee miljoen jaar voordat de lichtstraal bij de Andromedanevel aankomt, het sterrenstelsel dat het dichtst bij onze Melkweg staat (het stelsel manifesteert zich aan de hemel als een nauwelijks met het blote oog zichtbaar nevelig vlekje in het sterrenbeeld Andromeda, vandaar…). We praten dan nog steeds niet over echt grote afstanden, overigens; op meer dan tien miljard lichtjaar van ons zonnestelsel heeft men nog melkwegstelsels waargenomen…

Gezien de manier waarop sterren ontstaan, denken deskundigen dat rond veel andere sterren ook planeten cirkelen, net als bij onze zon het geval is. Helaas is ons waarnemingsvermogen te beperkt om die planeten direct te kunnen zien. Met optische telescopen kun je in ons eigen zonnestelsel wel uit de voeten, maar zodra gij je blik verder richt, zie je alleen nog het licht van de sterren zelf. Het veel zwakkere licht van een eventuele begeleider ‘verdrinkt’ zowaar in deze overdaad. Zichtbaar licht heeft hiernaast het grote nadeel dat het door interstellaire stofwolken wordt geabsorbeerd, terwijl ook de aardse dampkring een obstakel vormt. Er bestaan indirecte manieren om planeten op te sporen, en een daarvan maakt gebruik van uiterst precieze metingen van de positie van sterren. Het is in principe een heel simpele manier; omdat elke planeet minieme verstoringen veroorzaakt in de baan die zijn ster langs de hemel aflegt, hoef je alleen naar zulke ‘schommelingen’ van een ster te zoeken om te weten of hij een of meer planeten bezit.

In de afgelopen tientallen jaren is een aantal sterren op deze wijze serieus onderzocht, waaronder de ster van Barnard en andere dichtbij staande exemplaren (luisterend naar poëtische namen dan ‘Van Biesbroeck’, ‘Gamma Cephei’ en ‘HD 114762’). Bij sommige zijn schommelingen in de baan van de ster duidelijk aangetoond, maar of dit wijst op het bestaan van planeten is nog volstrekt onzeker. Het blijkt in veel gevallen om ‘bruine dwergen’ te gaan: gigantische gasreuzen die tien tot honderd keer zo zwaar zijn als Jupiter. Je praat dan niet meer over planeten, maar over mislukte sterren.

Objecten met een kleinere massa vallen voorlopig niet waar te nemen; hiervoor moeten we wachten op zeer gevoelige telescopen die in een baan rond de aarde cirkelen, of wellicht op de maan zijn gestationeerd. Een andere mogelijkheid waarover al wordt gedacht, zijn opstellingen van honderden schotelantennes die door computers tot één gigantische telescoop kunnen worden samengesmeed. Deze kost kapitalen, natuurlijk, en een speurtocht naar planeten buiten het zonnestelsel lijkt op dit moment weinig prioriteit te hebben. Het zal dus nog wel een tijd duren voordat we onomstotelijk het bestaan kunnen aantonen van aardachtige planeten (compacte lichamen die op een redelijke afstand van hun ster staan, zodat er bv. vloeibaar water op het oppervlak kan bestaan).

BESCHAVINGEN

Je kunt de vraag of er buitenaardse intelligentie bestaat ook statisch proberen te beantwoorden. Een optimistische schatting van de astronoom en publicist Carl Sagan komt uit op ongeveer één miljoen potentiële technische beschavingen, alleen al in onze eigen Melkweg… Hij gaat hierbij uit van een aantal feiten en aannemingen, vanzelfsprekend.

Ten eerste het feit dat er miljarden sterren bestaan met vrijwel dezelfde karakteristieken als die van onze zon, en de aanneming dat planeetsystemen relatief gemakkelijk ontstaan. Het feit dat in ons eigen zonnestelsel bv. al drie ‘miniatuur zonnestelsel’ zijn gevormd (het Jupiter-systeem met 17 of meer manen, het Saturnus-systeem met minstens 22 manen en het Uranus-stelsel met minimaal 15 manen) pleit hier voor.

Ten tweede lijken experimenten erop te wijzen dat de basismoleculen van het aardse leven, proteïne en nucleïnezuren, heel eenvoudig uit de (in de kosmos veelvuldig voorkomende) bouwstenen waterstof (H2), methaan (CH4), ammonia (NH3) en water (H2O) kunnen ontstaan. Alles dat hiervoor nodig is, is een geschikte energiebron, bv. zonlicht, ultraviolette straling of bliksemontladingen.

Laten we eens aannemen dat Sagan er niet zo ver naast zit met zijn miljoen beschavingen (waarvan sommige veel verder ontwikkeld zouden kunnen zijn dan wij, overigens). De nieuwe vraag wordt dan: hoe zoek je contact met zo’n beschaving? Over het medium van communicatie bestaan al vaste ideeën: radar- en radiogolven. Deze hebben een veel beter doordringbaar vermogen dan zichtbaar licht omdat ze vrijwel niet gehinderd worden door kosmisch stof. Ze reiken moeiteloos honderden lichtjaren ver en zijn simpel op te vangen door een levensvorm met enige technische kennis. Een ‘natuurlijke’ frequentie om een radioboodschap op uit te zenden werd al in 1959 geopperd: die van de spin-flip van het watermolecuul (1420 megahertz). Waterstof komt namelijk in ongelofelijke hoeveelheden voor in het heelal; elke beschaving die over de techniek van radiocommunicatie beschikt en iets weet over de samenstelling van het universum, zal zich ervan bewust zijn dat dit een voor de hand liggende mogelijkheid is. Echte ‘vraag-en-antwoord’-gesprekken zijn natuurlijk onmogelijk, vanwege de enorme afstanden die in het geding zijn. Wil je een redelijke kans maken een van Sagans miljoen beschavingen te ‘treffen’ (als we aannemen dat ze gelijkmatig over de Melkweg zijn verdeeld), dan zal de dichtstbijzijnde nog altijd zo’n 300 lichtjaar hier vandaan liggen. Een simpel gesprek als ‘hallo, bent u daar?’ gevolgd door ‘jawel, hoe gaat het?’ neemt dus minimaal 600 jaar in beslag.

Feitelijk kunnen we niets meer dan een boodschap uitzenden, een fles met een briefje erin. Een dergelijk bericht moet natuurlijk in een algemeen begrijpelijke taal worden gecodeerd, en wiskunde lijkt hiervoor de aangewezen manier. Niet in een decimaal, octaal of hexadecimaal stelsel, vanzelfsprekend, want ook wezens met toevallig drie vingers aan elke hand moeten het bericht kunnen begrijpen. De universele taal van nullen en enen springt direct in gedachten. Het valt moeilijk voor te stellen dat intelligente wezens hier niet mee uit de voeten kunnen. Je zou bv. kunnen beginnen met het uitzenden van een serie priemgetallen, om de aandacht te trekken. Wie de reeks ‘beep, beep-beep, beep-beep-beep,…’ oftewel 1, 2, 3, 5, 7, 11, 13… uit de ruimte opvangt, zal onvermijdelijk aan een kunstmatige oorsprong denken en nieuwsgierig worden naar de bron ervan. Hierna volgt de eigenlijke boodschap in de vorm van een eindeloos herhaalde reeks bits.

PICTO-PRAAT

Die stroom van bits wordt vertaald naar een plaatje, een bitmap. De moderne computergebruiker die in een grafische omgeving met pictogrammen werkt, weet wat hiermee wordt bedoeld. Omdat de bitreeks een tweedimensionale tekening voorstelt, moeten de lengte en breedte van het plaatje gemakkelijk en ondubbelzinnig kunnen worden afgeleid. Een product van twee priemgetallen lijkt hiervoor geknipt.

Laten we als voorbeeld van zo’n boodschap eens 23 x 17 = 391 bits nemen. Die stroom van 391 aan/uit-tekens wordt in een plaatje omgezet door voor elke één een zwart hokje te tekenen, en voor elke nul een leeg hokje; er ontstaat een patroon zoals in de bijgaande figuur is getekend. Na wat puzzelen valt hier heel wat informatie uit te halen. icoon Bovenaan staan getallabels, om aan te geven dat de patronen onder zo’n zwart hokje de bedoelde informatie bevatten. Van links naar rechts lezend zijn vervolgens de eerste twaalf natuurlijke getallen geschreven (000X, 00X0, 00XX, enz.). Na een lege rij hokjes zien we een ‘klomp’ zwarte hokjes die, van boven naar beneden gelezen, de atoomnummers voorstellen van de belangrijkste elementen waaruit het leven op aarde is opgebouwd. Dat zijn achtereenvolgens waterstof (H=1), koolstof (C=6), stikstof (N=7), zuurstof (O=8) en fosfor (P=15). Het atoomnummer van een element geeft het aantal elektronen (c.q. protonen in de kern) weer en is voor elk element uniek. Na opnieuw een lege rij zien we de bouw van ons zonnestelsel als pictogram. Links de zon, en naar rechts de negen planeten (in dit voorbeeld is te weinig ruimte om de verhouding van hun massa juist weer te geven, maar het principe is duidelijk). Merk op dat de derde planeet, onze aarde, iets is verschoven in de richting van de elementen die daarboven zijn getekend.

Het bovenstaande voorbeeld is geen verzinsel. In 1974 heeft men een echte boodschap uitgezonden volgens het hierboven genoemde principe, vanaf de Arecibo-radiotelescoop in Porto Rico. De vorm en inhoud van dit bericht zijn vergelijkbaar met ons voorbeeld, behalve dat in dit geval een patroon van 73 bij 23 puntjes werd gebruikt. De Arecibo-boodschap geeft informatie over de eerste tien natuurlijke getallen, de atoomnummers van de vijf genoemde scheikundige elementen, de formules van de suikers en basen waaruit ons DNA (desoxyribonucleïnezuur) is opgebouwd, de ruimtelijke structuur van dat DNA (een tekening van de dubbele helix) en het aantal bouwstenen, een simpele tekening van de mens, de lengte van een mens (afgemeten aan de golflengte die werd gebruikt voor het uitzenden van de boodschap), de zon en zijn negen planeten, een pictogram van de telescoop en de diameter hiervan.

De Aricebo-telescoop stond gericht op een object met de naam M13, een groep van zo’n miljoen sterren, op een afstand van 24.000 lichtjaren van de aarde verwijderd. De boodschap heeft dus nog wel even te gaan.

KLEINE KANS

Wanneer er werkelijk technisch (hoog-)ontwikkelde beschavingen in de Melkweg leven, dan kan het bestaan van de mensheid voor hen al lang en breed bekend zijn. Wij zenden immers al vijftig jaar gecompliceerde signalen de ruimte in, op allerlei verschillende frequenties (denk bv. aan televisie, radio en radar). Dit moet voor buitenstaanders een onmiskenbaar teken zijn dat er op aarde iets ‘intelligent’ gebeurt. Vanaf 1960 hebben astronomen ook diverse malen hun telescoop-oor te luisteren gelegd, in de hoop dezelfde soort signalen uit de ruimte op te vangen. Men heeft echter nog nooit iets ontdekt dat zou kunnen duiden op intelligent leven. Waarom niet?

In de eerste plaats omdat het aantal luisterpogingen statistisch gezien maar een fractie is geweest van wat nodig zou zijn voor een redelijke kans een ‘onnatuurlijk’ bericht op te vangen.

Een tweede mogelijke oorzaak stemt tot nadenken: momenteel is de aarde weliswaar een zeer luidruchtige bron van kunstmatige signalen, maar doordat onze communicatie steeds meer via satellieten en kabelsystemen plaatsvindt, zouden we over enkele tientallen jaren weer volkomen ‘stil’ kunnen worden. Andersom geredeneerd kan dus hetzelfde aan de hand zijn: je moet maar net een beschaving treffen die precies ver genoeg is ontwikkeld om via radiosignalen te communiceren, maar nog niet ver genoeg zodat hun ether weer stil is geworden. En dat is een erg kleine kans.

PSYCHOLOGISCHE FACTEN uitgelegd door de REÏNCARNATIE

Bekijken we in de eerste plaats enkele kleindagelijkse fenomenen en zien even of reïncarnatie, bij gebrek aan andere aanneem bare verklaringen, ons een mogelijke oplossing kan verschaffen die licht brengt in onze duisternis. Beschouwen we als allereerste de feiten van:
Sympathie en Antipathie: het gebeurt in ieders leven wel eens als dat men, zonder enige verklaring waarom, wij sympathie of hevige antipathie gevoelen tegenover iemand die we zelfs niet goed of helemaal niet kennen; wat men in de liefde vaak als een ‘coup de foudre’ bestempelt.

Waarom zielsbeweegredenen zich veeleer tot iemand richten dan wel tot een ander? Men kan hierop geen antwoord geven zolang men de kwestie langs de normen van het verstand benadert. Het is nu eenmaal zo, men voelt sympathie of antipathie of liefde, als een kracht die u in die richting duwt en waarvan men de oorzaak niet eens kent. Hoe vaak heeft men niet horen zeggen, onder werkelijke goede vrienden of tussen ver liefden: ‘het komt me voor alsof ik jou reeds altijd heb gekend’. Wel, dit alles word opgeklaard indien men de reïncarnatietheorie laat meespelen. Verheven boven onze vormen, boven onze huidige personaliteit, herkennen onze zielen zich in de zin van zich te hebben bemind of geminacht.

Abnormale individuen: wat gezegd van mensen die ons mis prijzen en miskenning wegdragen. Wat gedacht van mannen die geen mannen zijn, die er niet de verlangens noch de instincten naar hebben, noch de smaak die totaal vervrouwelijkt zijn en waarover menig evenwichtig schepsel (!) afschuw voor betuigt En dan de vrouwen die in het andere kamp af wijkende instincten vertonen ten overstaan van hun eigen sekse. De wetenschap noemt ze homofielen, de bevolking beschouwt ze als verkeerden.

Beider begrippen zijn nietszeggend of valse interpretaties. Ik heb dergelijke mensen gekend en ken er nog; geloof me, het is niet vrijwillig dat ze zo zijn, ze zijn zich niet bewust als dat zij hulpbehoevend zijn, zij vinden hun manier van doen en voelen heel normaal en geloven niet als dat zij in eender welk opzicht dan ook abnormaler zijn dan gij en ik waarvan zij onze gevoelens niet kunnen verstaan.

Veronderstel nu dat reïncarnatie een voldongen feit is (is ze ook voor hen die weten), dan hebben wij al direct een verlichtende uitleg over dergelijke dingen. Het occultisme vertelt ons, in feite, dat deze vervrouwelijkte mannen niets anders zijn dan zielen die sedert vele levens in een vrouwelijk lichaam hebben doorgebracht en gestempeld zijn door een diepe impressie door die levens, die incompatibele (onverenigbare) instincten meebrengen in hun nieuw lichaam waarin zij reïncarneren en waarin zij zich totaal niet thuis voelen. Hetzelfde geldt even eens voor vrouwen die als abnormaal beschouwd worden (lesbiennes).

Herinnering of herkenning van onbekende plaatsen: dit geeft ons de gelegenheid er op te wijzen dat de moderne wetenschap dit fenomeen beschouwd als een stoornis van het geheugen en het als typ van paraamnesie onderbrengt. Zij noemen het een ‘déjà vu’ fenomeen.

De paaramnesie is een verkeerde herinnering de zieke verteld met overtuiging en in de kleinste kleinigheden over gebeurtenissen die nooit hebben plaats gehad, ofwel geeft hij (zij) een valse versie van datgene wat werkelijk gebeurd is. Confabulatie (kouten, keuvelen) is de gebruikelijke term die men aan een verzinsel van herinnering toeschrijft; retrospectieve vervalsing is het feit van onjuiste bijzonderheden toe te voegen aan juiste herinnering.

Pseudo reminiscentie heeft beider betekenissen van het voorgaande.

Een merkwaardig voorbeeld van het fabriceren van souvenirs vindt men weer in de pseudologia phantastica (ziekelijke leugens).

Wat begonnen met verklaringen en ervaringen van: Julianus (Apostata) die zich herinnerde Alexander van Macedonië te zijn geweest.

Lamartine (groot dichter) die een frappante reminiscentie schreef in zijn Voyage en Oriënt. Hier kan men de herinnering niet terugvoeren tot het gelezen daar de Bijbel geen exacte beschrijvingen geeft van de landschappen waar dit historisch gebeuren plaats vond, hij verhaalt alleen maar de feiten. Ponson du Terrail, populair romanschrijver schreef in de Journal de la Presse op 20.09.18868, dat hij zich herinnerde geleefd te hebben onder Hendrik III en IV, echter was Ponson een groot tegenstander van het spiritisme en het occulte. Eerwaarde Forbes, schreef in het tijdschrift Le XIX Siècle juni 1906, dat toen hij Rome bezocht, deze stad hem zo bekend voorkwam en zo familiair was, als of het zijn eigen parochie betrof.

Er zijn nog honderden en duizenden getuigenissen die en niet verklaarbaar zijn met een ‘déjà vu’ of ‘déjà vécu’ theorie van de wetenschap; psychiaters of psychologen uit onze moderne wetenschapsretorte.

Wonderkinderen: hoe verklaren wij Mozart, die op zijn 5.de jaar een symfonie componeerde, indien hij niet geboren zou zijn met een grote kennis van muziek en een uitgebreide intellectuele bagage.

En wat gezegd over Inaudi, simpele schaapshoeder, die de meest gecompliceerde mathematische berekeningen uit het hoofd deed.

Tot Michelangelo, 8 jaar oud, zeiden zijn leermeesters: ‘wij hebben u niets meer te leren’.

Philippe Baratier kende op 4 jarige leeftijd reeds Frans, Duits en Latijn; op zijn 7.de kende hij ook nog Grieks en Hebreeuws.

Pascal, groot wiskundige, herzag op 12 jaar volledig de meetkunde van Euclide.

Le Tasse schreef reeds verzen op 7 jaar.

Haendel componeerde drie opera’s toen hij amper 11 was.

De grote Condé, die op 14 jaar reeds meester was in militaire wetenschappen.

Erikson, een genie voor mechanische wetenschappen, was op 12 jaar reeds inspecteur op het grote maritieme kanaal van Zweden en leidde 500 werklieden.

Meyerbeer, die concerten gaf op 6 jarige leeftijd.

Baptiste Raisin die vioolconcerten deed toen hij pas 4 jaar was.

Henri de Herneken sprak met 2 jaar reeds drie talen.

De kleine Brard, toen hij 7 was, werken vertolkte van Bach, Haydn en Mozart op zulke meesterlijke wijze dat meesters hem van wijd en zijd kwamen bewonderen.

En dit gaat zo maar verder…..

Is er dan soms een betere verklaring voor te vinden om deze faculteiten te verklaren dan die van de reïncarnatie? Hoe zouden deze kinderen zulke talenten kunnen manifesteren moesten zij ze niet hebben meegebracht. En indien zij ze hebben meegebracht, dan hebben zij ze verkregen voor hun geboorte. Waar hebben zij ze dan verkregen als het niet ware in een vorige existentie?

REINCARNATIEHYPNOSE in de PARAPSYCHOLOGIE

Daran erkenne ich den gelehrten Herrn!
Was ihr nicht tastet, steht euch meilenfern;
Was ihr nicht faszt, das fehlt euch ganz und
Was ihr nicht rechnet, glaubt ihr, sei nicht wahr;
Was ihr nicht wagt, hat fur euch kein Gewicht;
Was ihr nicht munzt, das, meint ihr, gelte nicht!
Mephisto in Faust (Goethe)

Door de houding van tal van wetenschapsmensen, die ook in ruime kringen van het grote publiek suggestieve gevolgen heeft, is helaas ook nu nog vaak ieder, die als serieus onderzoeker bekend staat en zich met parapsychische fenomenen bezighoudt, gedwongen, zijn beschouwingen met een als het ware verontschuldigende inleiding te beginnen.

Omdat zelfs Goethe in zijn Faust Mephisto bovenstaande sarcasmen liet uitspreken, zal ik mij bij dit oude gebruik aansluiten en proberen met mijn aan dit netelige onder werp voorafgaande uiteenzettingen, voor deze themagroep ook luisteraars te interesseren, die op grond van beïnvloeding door sommige eenzijdig resp. bekrompen denkende natuurwetenschappers totnogtoe al wat buiten de door hen opgestelde regels mag bestaan van de hand wezen. Als vervolg op Mefisto’s klacht zou men kunnen zeggen: ‘wat gij niet regelt, meent ge, kan niet bestaan’. En baron van Schrenck Notzing constateerde dit zeer betreurenswaardige feit: ‘het verzet a-priori van de wetenschap tegen alle nieuwe fenomenen is een van haar oude erfzonde’.

Onder reïncarnatiehypnose verstaan wij psychische terugplaatsing van een mens met bv. de somnambule hypnosestadium naar een veeleer door hem als hetzelfde individu geleefd bestaan.

Omdat wij ons alleen al door het onderstellen van deze mogelijkheid weer in de moerassen van een wetenschappelijk uitermate omstreden, zoal niet met laatdunkend hoongelach ontkend terrein begeven, wil ik hier nog eens herinneren dat volgens de reïncarnatieleer de geest van een individu na de dood van zijn sterfelijke aardse belichaming in een zuiver geestelijke aggregaatstoestand overgaat, van waaruit hij zich opnieuw belichaamd en in het aardse leven intreden kan of moet Wij zouden dan het individuele aardse leven kunnen vergelijken met een regendruppel die een omgrensde eenheid vormt zolang hij door zijn hier aan de geest gelijk te stellen vormingskrachten in structuur en samenstelling blijft bestaan en de levensduur zou dan de tijdspanne zijn waarin de druppel als afzonderlijke eenheid bestaat, tot hij, uit de hemel vallend, op het aardoppervlak oplost. Dat betekent het verlies van zijn ‘lichamelijke’ individualiteit, doordat hij zijn druppelgedaante moet opgeven en zich weer verenigt met andere waterdeeltjes, op die grond zijn dood als ‘lichamelijk individu’. Deze beëindiging van het bestaan als lichamelijke eenheid representeert evenmin als bij dood van een mens de beëindiging van de lichamelijke existentie, maar een slechts door transsubstantie en terugvoeren naar de oorspronkelijke ‘gesteldheid’ mogelijke voorbereiding op de individuele ‘renaissance’, doordat de moleculen van de druppel via de waterkringloop in zee belanden en van daaruit verdampend opstijgen, enz.

Om bij de vergelijking met de regendruppel te blijven: mogelijkheid bestaat dat zijn energetische vormingskrachten ook na de botsing met de aarde in hun individualiteit behouden blijven en als dezelfde krachten na het voltooien van de kringloop weerom een regendruppel kunnen vormen, die dan een herbelichaming, een ‘reïncarnatie’, van de eerste zou kunnen zijn. Overgedragen op de mens zou dit betekenen, dat het mogelijk zou zijn, als reïncarnatie van een geestelijk wezen of eenvoudig geestelijke entiteit herboren te worden.

Stellen we eerst even klaar dat reïncarnatiehypnose tot het domein van de parapsychologie en haar verschijnselen behoort.

Nu zijn paranormale verschijnselen geenszins nieuw; alleen de twist over het bestaan ervan wordt iedere keer weer aangewakkerd. Ware wetenschap echter zal strikt wetenschappelijk te werk gaan waar ze maar kan en aan haar iedere keer voorlopige grenzen nooit ophouden, te vragen en te onderzoeken. De meeste baanbrekende wetenschappelijke ontdekkingen werden gedaan op grond van in twijfel getrokken oude waarden en zo zal het ook nu weer gepast zijn, zich sine ira et studio aan serieus onderzoek van deze verschijnselen te wijden, te meer daar de kernfysica de deuren naar verklaring van totnogtoe onbegrijpelijke verschijnselen al ver open heeft geduwd. Sedert de al in 1900 opgestelde kwantumtheorie van Max Planck moet materie ook in haar kleinste bouwsteentjes niet meer volgens de traditionele zienswijze als vaste stof worden beschouwd, maar als een aggregaatstoestand van energie. Dat omzetting van aggregaatstoestanden mogelijk is, blijkt uit de atoomsplitsing. Een andere these der moderne wetenschap, de relativiteitstheorie van Einstein, komt in overeenkomstige zin al in een door F. A. Mesmer gegeven proeven van verklaring van het fenomeen helderziendheid tot uiting, die daarover schreef: ‘het verleden kennen betekent niet anders, dan de oorzaken in hun gevolgen, de toekomst echter voorzien betekent alleen, de gevolgen in hun oorzaken gewaarworden. Zo komt men gemakkelijk tot de gedachte, dat alles in het universum vervat is en verleden en toekomst slechts verschillende betrekkingen van de delen onderling zijn’.

Wij moeten echter, zelfs met inbegrip van de nieuwste inzichten van fysica en biologie en van recente resultaten van parapsychologisch onderzoek, toegeven, dat totnogtoe geen geldige theorie over parapsychische verschijnselen bestaat.

Ogenschouwen wij even de betekenis van de reïncarnatieleer voor de psychotherapie. Juist het feit, dat met de reïncarnatiehypnose veel mensen geholpen konden worden, voor wie alle met andere methodes ondernomen pogingen om hen (psychisch) lijden te verzachten geen resultaat hadden gehad, is voldoende aanleiding, hier nader op deze techniek in te gaan, al kunnen wij in de eerste plaats alleen op empirische waarnemingen en daaruit af te leiden vermoedens steunen.

Rudolf Steiner zegt: ‘zeker dragen wij, met betrekking tot algehele geestelijke natuur, waarin wij vervat zijn, de impulsen in ons mee van lang verleden mensen, die daarin inwerken’. In de taal van de moderne psychologie kunnen wij spreken van gestuwde affecten, die wat betreft de tijd van hen ontstaan niet alleen tot in jongkinderlijke fasen maar ook op veeleer bestaan kan teruggrijpen. Onverwerkte affectieve ervaringen uit een vroeger leven, bv. een niet geboete schuld of misschien een gewelddadige dood, kunnen op die grond op ons tegenwoordige leven inwerken, doordat de geest in zijn huidige belichaming blijft proberen, deze problemen te verwerken en daardoor ook pathisch verschijnselen kan veroorzaken.

Er is meer; er zijn de hypnotische experimenten van Colonel de Rochas, Dr.Durville, Dr.Flournoy, Dr.Oltramare e.v.a.; ik mis er wellicht van de beste.

Colonel de Rochas, die administrateur (beheerder) was van de Ecole de Polytechnique, is een van die wetenschappers die een belangrijke bijdrage heeft geleverd in de studie over hypnose. Van hem verschenen enkele zeer goed gedocumenteerde werken op zuivere wetenschappelijke basis.

Op een dag, zonder het expres te willen, ontdekte Colonel de Rochas bij een van zijn proefpersonen, een jonge student datgene wat hij als ‘Retrogradation de la memoire’ (terugstelling van het geheugen) noemde. Deze jonge man die ingeslapen (gehypnotiseerd) en ondervraagd werd over wat hij op de universiteit deed, antwoordde alsof hij nog in het achtste schooljaar zat. Hij bleek geen kennis te hebben van wat hij later leerde. Door een zeer bizar fenomeen, was hij teruggebracht, door het magnetisch strijken van de Colonel, naar de tijd van zijn jeugd.

Verder experimenterend met andere proefpersonen, kwam Colonel de Rochas op de idee om hun geheugen te retrograderen (te doen achteruitlopen) tot de prilste jeugd, als het ware tot aan hun geboorte, om aansluitend na te gaan wat zij zouden antwoorden indien hij de studie verder zou vervolgen tot voor hen geboren zijn. Ver van de verwachting als dat zij zouden zwijgen of vertellen dat er niets meer was en dit het einde betekende, beweerden de behandelde personen totaal 19 dat zij zich in een zwarte omgeving bevonden, daarna in een grijze om dan bij het terug lopen van de tijd, plotseling andere personaliteiten gingen manifesteren als diegene die eertijds zouden geleefd hebben.

Ik weet wel dat men alvast zal gaan opperen dat het hier gaat om (een) mentale suggestie(s). Tijdens de eerste experimenten die Colonel de Rochas deed, was er geen sprake van mentale suggestie aangezien de experimentators niet wisten waar zij heen wilden of gingen. En dan nog, om iets te suggereren moet men het kennen en dat is vaak in serieuze onderzoekingstochten niet het geval. Vaak heeft men in dergelijke experimenten de proefpersonen door (een) andere hypnotiseur(s) in slaap laten doen die hen suggereerden dat hun verhaal niets anders was dan een web van leugens en verzinsels. Alles ten spijt zijn hun verhalen nooit veranderd, niet in details (bijzonderheden), niet in hun order, niet in de chronologie van hun voorbije levens.

OVER DE DOOD

De dood is niet wat wij ervan denken, maar een overgang van de ene staat van bewustzijn naar een andere. Zo te zien zijn wij al doodgegaan, namelijk door te vergeten wie we zijn. Die aspecten van onszelf die we vergeten zijn, zijn afgescheiden van de werkelijkheid en we zijn geïncarneerd om ze ons weer in herinnering te brengen, om ze terug te vinden. Hoewel we dus de dood vrezen, zijn we in feite al gestorven en vinden we juist in de herintegratie met ons grotere wezen – het incarnatieproces – meer leven. Het enige dat sterft is de dood zelf.

Gedurende ons leven schermen we ons af voor de ervaringen die we willen vergeten, en dat lukt ons heel effectief. Al vroeg in onze jeugd beginnen we die muren te bouwen en we gaan er ons hele leven mee door. De dood is dus allang in het leven, in de vorm van die innerlijke muren.

Weet dat jijzelf de enige bent die je ergens van gescheiden houdt. En het belangrijkste is dat in die delen van jezelf die ommuurd zijn, de dood al is ingetreden. Misschien is dat vanuit ons standpunt de helderste omschrijving van wat de mens als ‘dood’ beschouwt. Het is ommuurd-zijn, afgescheiden-, ingesloten-zijn. Het is vergeten. Vergeten wie je bent, dat is dood. Men is al dood. In feite is men geïncarneerd om die aspecten van onszelf die al dood zijn, weer tot leven te brengen. Die aspecten zijn al gestorven.

Het sterven, of liever de overgang naar een groter bewustzijn, kun je zien als een proces in het energieveld. We zullen het hier beschrijven om het verloop van het sterven vanuit energetisch gezichtspunt te helpen begrijpen. Het energieveld wordt gewassen, schoongemaakt, en alle chakra’s gaan open. Als je sterft, ben je bezig naar een andere dimensie te gaan. De drie onderste chakra’s gaan tot ontbinding over – en let het woord ontbinding – net als de drie lagere energielichamen. Wie reeds iemand heeft zien sterven, heeft gezien dat de handen, het gezicht, de huid van de stervende iets opaalachtig krijgen, als van glanzend parelmoer, en mooie, opaalwitte nevelachtige wolken zweven weg. Dat zijn de lagere energielichamen die dienden om het fysieke lichaam bij elkaar te houden. Nu desintegreren ze, de ermee verbonden chakra’s worden geopend en daar komen koorden van energie uit. De bovenste chakra’s worden grote gaten, ze openen zich voor andere dimensies. Dit zijn de beginfasen van het sterven, waarbij het energieveld uiteen begint te vallen. De onderste lagen van het veld scheiden zich van de hogere niveaus. En dan, ongeveer drie uren voor het tijdstip van sterven, is er een wassing van het lichaam, een doop, het lichaam wordt spiritueel gedoopt doordat de energie overvloedig als een fontein recht omhoog door het grote verticale energiekanaal stroomt. Een fontein van gouden licht bruist erdoor en alle blokkades worden gereinigd. De aura wordt witgoud. Hoe zal dit door de stervende mens in termen van herinnering ervaren worden? De stervende ziet dat zijn of haar hele leven door die energie wordt schoongewassen, en alle blokkades worden losgelaten. Alle vergeten ervaringen van die levensperiode komen vrij. De hele levensgeschiedenis stroomt door het bewustzijn, en als de persoon vertrekt, vertrekt ook het bewustzijn. Het is de ontbinding van al die muren die gecreëerd waren voor het transformatieproces in dit leven. Het is een fantastische integratie.

Tegelijk met de ontbinding van je innerlijke ‘muren om te vergeten’, herinnert gij je wie je werkelijk bent. Je wordt herenigd met je grotere zelf en je voelt het licht en de wijdte daarvan. De dood is dus, in tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt, een heel mooie ervaring. Ooit beschrijvingen gelezen van mensen die klinisch dood verklaard waren, maar tot het leven zijn teruggekeerd? Zij praten allemaal over een tunnel met een stralend licht aan het eind. Ze hebben het over een ontmoeting met een heel bijzonder wezen aan het eind van die tunnel. Meestal krijgen ze een terugblik over hun leven en hebben daar met dat wezen een gesprek over. Ze vertellen ook dat ze zelf besloten om naar de fysieke wereld terug te keren om hun leerproces af te maken, ook al vonden ze het daar waar ze verbleven heel erg mooi. Daarna zijn ze niet meer bang voor de dood, integendeel, ze zien er naar uit als naar een grote bevrijding die sereniteit zal brengen.

Het is onze eigen muur die ons scheid van deze waarheid: wat wij dood noemen, is in werkelijkheid een overgang naar het licht. De ervaring van dood die ons voor ogen staat, kunnen wij binnen in onze eigen muren vinden. Iedere keer dat we onszelf op enige manier afscheiden, sterven we een beetje. Iedere keer dat we de mooie levenskracht beletten te stromen, brengt dit een beetje dood in ons leven. Dus als gij je die afgescheiden delen van je wezen in herinnering brengt en je laat ze weer in je toe, dan heb je de dood al ervaren. Dan kom je weer terug tot leven. Als gij je bewustzijn uitbreidt, lost de muur tussen die twee werelden, de spirituele en de fysieke werkelijkheid, zich op. De dood lost iets op, het is niets anders dan het oplossen van de muur van illusie als je klaar bent om verder te gaan. En wie je bent wordt herschreven als grotere werkelijkheid. Je bent nog steeds je individuele zelf: als gij je lichaam aflegt, behoud je de essentie van jezelf. Dat essentiële van jezelf kan je voelen in een toekomst/verleden-meditatie. Je fysieke lichaam sterft, maar jij begeeft je naar een ander werkelijkheidsniveau. Het wezen van jezelf behoud je, voorbij je lichaam, voorbij je incarnatie. En als gij je lichaam verlaat, voelt gij je een gouden lichtpunt; je voelt nog steeds jezelf!

CONCLUSIES OVER REÏNCARNATIE

De eerste vraag die wij ons stellen heeft allicht tot doel te weten te komen wat het leven is (indien er een is?) na de dood, en of het dan wel mogelijk is om met diegene te communiceren die ons aards bestaan hebben verlaten. Beschouwen we dus allereerst het geval van iemand die dit aards leventje verlaat. Men mag algemeen stellen dat hij (zij) zeer ziek is, zo ziek dat de ‘dood’ onoverkomelijk het gevolg is van ontregeling en beschadigingen van het menselijke mechanisme. Het lichaam wordt daardoor onhoudbaar, onwerkzaam, het is slechts nog een omhulsel van kleiachtige stof dat met geweld de onsterfelijke ziel gevangen wil houden wat deze laatste niet duld en er vandaan vliegt. Zodra zij dat dode lichaam heeft verlaten, dat zij haar vertrouwde aardse gevangenis is ontvlucht, bevindt zij zich plots in een onbekende omgeving, waar de zinnen en faculteiten veelvuldiger zijn en verschillend van deze die hier op aarde geldend zijn. Op deze wereld, zijn wij verplicht om te stappen, of ons op te sluiten in een metalen doos die wij auto noemen en, tenzij men rijk en gefortuneerd is om het vliegtuig te nemen, zijn wij aan de aarde vastgeklonken. Het gaat er geheel anders aan toe wanneer wij ons lichaam verlaten want, zonder dat, in die nieuwe dimensie van het ‘astrale vlak’, kunnen wij naar goeddunken reizen, ogenblikkelijk, door de enige kracht van onze geest, wij hoeven niet meer te wachten op trein of bus, wij zijn niet meer afhankelijk van die afschuwelijke dienstroosters van het vliegwezen noch van de oneindige wachttijden op de vlieghavens. In het astrale kunnen wij reizen volgens de snelheid die wij zelf bepalen. Wij hebben vrije keuze onze bestemming, onze hoogte en snelheid te kiezen.

In deze nieuwe bewonderenswaardige dimensie, beleven wij zoveel veranderingen dat wij de neiging toegedaan zijn, indien wij er niet voor oppassen, diegenen te vergeten die wij op onze oude aarde hebben achtergelaten en die ons bewenen. Wij vergeten, voorzeker, maar zo de achtergelaten somwijlen ons met hevigheid betreuren, wij daartegenover voelen ons ontegensprekelijk heen en weer geslingerd, wij ondervinden vreemde gevoelens van treurnis en verdriet. Zij die nota bene lijden aan artritis of tandpijn, kennen zulke gevoelens; men voelt plots een stekende scheut die u opschrikkend doet opspringen. Zo eveneens, zodra men in het astrale is overgegaan en een nabestaande om u rouwt en lamenteert in plaats van zich met dagelijkse bezigheden of zaken te bekommeren, geneert zij ons, zij houdt ons vastgekluisterd aan banden waar wij geen blijf meer mee weten en verhinderd ons te vorderen.

Vervolgen wij onze weg in het astrale, gaan wij iets verder dan de eerste dagen, we belanden dan in de ‘Zaal der Herinneringen’ alwaar wij een besluit zullen gaan nemen, om te weten welke taak wij zullen aanvaarden om in het astrale rijk te vervullen; zullen wij anderen gaan helpen of ons zelf aan de leer wijden, of… of. ? Analogisch kan men zich nu inbeelden dat wanneer men bezig is met hulp aan anderen te bieden en er zich plots een hand u tracht weg te trekken, u zich belemmerd gaat voelen in het uitoefenen van uw taak, u wordt daardoor gehinderd en van uw concentratie afgeleid. Zo eveneens gebeurt het wanneer onze dierbaren ons te zeer betreuren en trachten met ons in contact te komen.

Het is niet goed en weinig liefdadig om door ons rouwbeleid diegenen te hinderen die ons midden hebben verlaten en hun hinderen of kwetsen, zij hebben immers ergens anders werkzaamheden te vervullen. Hier op dit werelds vlak zou een dergelijke houding er ons toe brengen, diegene die ons komt storen in ons werk, hem met alle onfatsoenlijke woorden te overstelpen.

Wees ervan overtuigd dat de persoon die u werkelijk lief hebt gehad en hij (zij) u wederkerig hier op aard, u elkaar weer zult vinden in het hiernamaals, daar uw wederzijdse aantrekkingskracht u daartoe in staat zal stellen zodra ook u deze aarde zult verlaten. In de astrale wereld is het onmogelijk iemand tegen te komen die men haat, dat zou de harmonie van het astrale vernietigen, wat geenszins mag gebeuren. Natuurlijk, indien gij in het astrale reist, kunt gij u op een inferieur vlak bewegen dat als een soort wachtzaal of antichambre (voorkamer) is voor het ware universele astraal.

Op inferieur vlak is het mogelijk om discussies en meningsverschillen waar te nemen, maar in hogere regionen kan daar geen sprake meer van zijn.

Bijgevolg, denk hier aan: indien u werkelijk de andere persoon liefheeft en het is wederkerig, zult gij elkaar vinden, maar dan wel op een heel ander vlak. Er zullen geen meningsverschillen meer bestaan, geen leugens, want in het astrale kan ieder de aura van de anderen zien en, indien een bewoner van het astrale liegt, zullen zijn persoonlijke vibraties vervormen en zijn kleuren verstoord worden. Men leert dus snel de waarheid te vertellen.

Wees logisch en bedenk dat rouw, vooral dat weelderige verdriet_vertoon, waarmee men zich schijnbaar in de diepste smart stort, een vergissing is; rouw is egoïstisch, rouw geeft voor de overledene zware interferenties (inmengingen) en stoort pijnlijk de zojuist in het astrale aangekomene. Men zou rouw_vertoon kunnen omschrijven als een soort zelfmedelijden waarmee men het verlies van zichzelf betreurt.

De astrale werelden (volkomen juist, in meervoud!) zijn zeer reëel. De voorwerpen en andere dingen zijn er even reëel en substantieel als dat zij op aarde lijken, en wellicht zelfs meer, want ginds genieten wij van nieuwe betekenissen, bijkomende faculteiten, wij ontdekken nieuwe kleuren, wij horen andere klanken. Wij kunnen op astraal vlak méér doen. Lucien De Rijbel

     Denis

© 2005 Aura-Oasis – Denis hondt